VU Magazine 1987 - pagina 227
handige overheid blindelings tegen elkaar laten uitspelen. Zo hebben de universiteiten van harte aanvaard dat zij van overheidswege voor honderd procent gefinancierd werden, zonder blijkbaar oog te hebben voor de mogelijke bestuurlijke consequenties daarvan. Hetzelfde geldt voor hun trouwhartig instemmen met de benoeming van hoogleraren door de Kroon. En met gretigheid hebben zij de vele miljarden geïncasseerd die de overheid fourneerde toen de universiteiten, door de massale toename van studenten in de ja-
'Universiteiten hebben gefaald in de voortdurende strijd tegen hun dierbare erfvijand, de Staat.' ren zestig, met een ongekende schaalvergroting werden geconfronteerd. Leijnse: "Het beste bewijs voor hun onvermogen is dat zij zich voetstoots hebben neergelegd bij het feit dat de selectie van de aankomende studenten niet alleen volstrekt werd onttrokken aan hun invloed, maar zelfs in een aantal gevallen via een door de nationale overheid georganiseerde loting plaatsvindt." Geen wonder dat de overheid nu tegenprestaties verlangt en in ieder geval gedwee volgzaamheid wat betreft de in het Haagse uitgestippelde afslankings- en andere, al dan niet gecamoufleerde bezuinigingsoperaties. Het uur der waarheid is nu aangebroken. En wie zou op dit moment met goed fatsoen de term 'universitaire autonomie' nog in de mond durven nemen?
N
iet Pro/ mr. E.M.H HirschBallin, hoogleraar staats- en administratief recht aan de Katholieke Universiteit Brabant. Dat de angst voor 'staatsinmenging' in het Hoger Onderwijs en een daaruit voortvloeiende inperking van de academische vrijheid geen waandenkbeeld is, wordt duidelijk wanneer men, zoals hij deed, de plannen van Deetman op hun juridische merites beoordeelt. Wetten, aldus Hirsch Ballin, hebben in de allereerste plaats een beschermende functie voor .staatsburgers die daarin een waarborg kunnen vinden voor hun vrijheid en een vrijwaring tegen willekeur van de overheid. Meer nog dan de burger wordt eerst en vooral de overheid door de wet gebonden. Dat principe blijkt in 6
de wetgeving inzake het wetenschappe- primair bij de beoefenaars van de wetenlijk onderwijs ver te zoeken. Voor politi- schap zelf. Dat was in de eerste plaats ci en ambtenaren is de wet vooral tot een globaler financieringsstelsel dat bij de toewijzing van geldelijke middelen rewerktuig voor hun beleid geworden. "Somber, héél somber", stemt Deet- kening houdt met effectiviteit en efficiënman's voorgestelde Wet maatregelen tie van de betreffende universiteit. Ten 1987 -1991 inzake voorzieningen weten- tweede zouden universiteiten in staat schappelijk onderwijs op dat punt. Want moeten worden gesteld eigen vermogens daarin kent de minister zich een heel ar- te kweken, zoals in de Verenigde Staten senaal aan bestuursbevoegdheden toe die gebruikelijk is, en zich zelfs toegang te staatsdirigisme en willekeur juist in de verschaffen tot de kapitaalmarkt. Unihand werken. Volgens Hirsch Ballin een versiteiten zouden in de derde plaats de pure 'machtigingswet' op basis waarvan vrijheid moeten krijgen te investeren in de minister carte blanche krijgt om in te nieuwe studierichtingen en faculteiten, grijpen in alle niveaus van het weten- maar dan wél voor eigen risico. En ten schappelijk bedrijf, van faculteiten en vierde zou de rechtspositie van universivakgroepen tot personen aan toe. En dat taire medewerkers aanzienlijk minder is regelrecht in strijd met de op dit mo- onaantastbaar moeten zijn dan deze nu is, ment nog wettelijk vastgelegde universi- waardoor de personeelsbezetting flexibeler aan de wisselende behoefte kan taire autonomie. Dat recht van universiteiten om invulling worden aangepast. en uitwerking van hun taken zélf te bepalen, wordt zo op twee manieren geweld aangedaan: de minister zou krachtens dit wetsvoorstel het recht krijgen om de wetenschapsbeoefening per universiteit, faculteit en zelfs vakgroep in vergaande mate te 'sturen', terwijl het recht van universiteiten op onderling 'gelijkwaardige ontwikkelingsmogelijkheden' tezelfdertijd buiten spel staat; de minister krijgt nu de gelegenheid de ene universiteit ten koste van een andere te bevoorof te benadelen. Geen lichte bezwaren, aldus Hirsch Ballin: "Bij het ene bezwaar gaat het mede om het rechtsgoed van de academische vrijheid, bij het andere om de eisen die in de komende decennia aan ons universitaire bestel moeten worden gesteld."
S
lechts één deelnemer aan het congres durfde nog wel een balletje op te gooien om de universitaire autonomie ook in de toekomst een kans te geven: de voormalige hoogleraar economie uit Rotterdam, Dr. A(rie) van der Zwan, thans president-directeur van De Nationale Investeringsbank. Behalve dan door het stellen van randvoorwaarden heeft de overheid gewoon het recht niet inbreuk te maken op vrijheid en autonomie van burgers, instellingen en ondernemingen, zéker niet inhoudelijk, vond hij net als Hirsch Ballin. En bovendien dreigt op die manier levensgroot het gevaar van verlammende bureaucratisering en 'gunstenhandel'.
Vier ingrijpende wijzigingen in het universitaire beleid droeg Van der Zwan aan om de beslissingsbevoegdheid inzake wetenschappelijk onderwijs en onderzoek weer te leggen waar ze thuis hoort;
Er zit, volgens Van der Zwan, uiteindelijk nog maar één ding op: "De universiteit moet weten wat zij wil, en de kans krijgen te doen wat zij wil. Horigheid of autonomie: de keus kan niet moeilijk zijn. Maar autonomie betekent wél: niet langer weeklagen, maar aan de slag gaan." En daarvoor is nodig dat de Colleges van Bestuur, die binnen de universiteiten het management voeren, ophouden zich te gedragen als "burgemeesters in oorlogstijd". Heel geleidelijk zijn zij door sluipende overheidsinterventie gecompromitteerd geraakt, vanuit de valse suggestie als zou wie handig was er voor de eigen instelling nog heel wat kunnen uitslepen. Colleges van Bestuur zijn van lieverlee "de Stikkers van de universitaire wereld" gebleken, aldus Van der Zwan, en, bij gebrek aan bevoegdheden, nauwelijks nog echte bestuurders.
K
nelt nog de vraag hóe Colleges van Bestuur dat, met de geringe bevoegdheden die hen nog zouden resten, moeten klaarspelen. Is het al niet te laat voor een act a la de baron van Münchhausen? Men zou het haast gaan denken. Het is zelfs zeer de vraag of de universiteit in het jaar 2000 nog wel zoiets als een college van bestuur zal kennen, zo luidt de stelling van een insider, de voorzitter van het college van bestuur van de Vrije Universiteit, drs. H.J. Brinkman, die hij - a titre personnel, dat wel - poneerde tijdens een spreekbeurt in een geheel ander verband. De huidige bestuursvorm is in het geheel niet berekend op drastische veranderingen in het universitaire beleid, simpel vanwege het feit dat het universiVU-MAGAZINE-JUN11987
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's