VU Magazine 1987 - pagina 361
kanttekening bij willen maken. Zij denken nu eenmaal snel in de trant van 'wij, als christenen'. Dat is ook een inspiratiebron, bijvoorbeeld voor de vragen die ze stellen. Zij zijn veel activistischer en al gauw bereid om als christenen de problemen aan te vatten. Dat geloof fungeert daar als motor voor doen en denken.'' "Bij ons is dat christendom veel minder vanzelfsprekend de bron van waaruitje zeker als wetenschapper - vragen stelt of problemen aanpakt. Bij ons is, lijkt mij, de behoefte aan reflectie weer sterker
'Als het onderwerp van zo'n congres de eigen onderzoeksthematiek raakt, tja, dan wil men nog wel komen.' ontwikkeld; een noodzaak tot bezinning die niet alleen de zaken waarmee je je dagelijks bezighoudt betreft, maar die vooral ook terugslaat op de beleving van het christendom zelf. En dat kleurt alleen al je manier van vragen stellen. Het zijn voor mijn gevoel twee varianten van christendom - beide waardevol - die tijdens zo'n congres zinvol met elkaar in gesprek raken. Ik vind dat essentieel.''
H
et is nog maar de vraag of de christelijke wetenschappers van het Noordamerikaanse continent, vanuit hun eensgezindheid wat betreft geloofsopvatting, en hun activistische instelling van 'niet zeuren maar doen', veel begrip kunnen opbrengen voor genoemde terughoudendheid bij hun vak- en geloofsgenoten overzee. Het is misschien zelfs de vraag of ze zich überhaupt daarvan bewust zijn. Opvallend is in ieder geval wèl dat deze Amerikanen en Canadezen hoog opzien tegen de VU - de belangrijkste christelijke universiteit ter wereld, in hun ogen. Dat mag zo zijn. Maar wellicht gaat men er aan de overzijde van de oceaan echter ten onrechte nog vanuit dat aan de VU in ruim honderd jaar niets is veranderd en dat men hier volstrekt eenduidige opvattingen over geloof en wetenschap - en dan met name over de relatie daartussen erop na houdt. Een wat verouderd beeld, naar het zowel insiders als onbevooroordeelde buitenstaanders voorkomt. Verhoogt; "Best mogelijk. De VU is op dit moment natuurlijk krachtig met zich6
zelf in gesprek, wordt althans geacht dat te zijn." Verhoogt is als geen ander thuis in dit onderwerp. Hij is namelijk de auteur van het enkele jaren terug verschenen boekje Stromen van instemming, waarin duidelijk blijkt dat de onmiskenbaar aanwezige loyaliteit aan de doelstelling van de VU onder haar medewerkers met betekent dat men het uitgesproken eens is over de interpretatie en de concretisering daarvan in de alledaagse praktijk van het wetenschappelijk bedrijf. De VU-doelstelling laat de mogelijkheid tot het huldigen van zeer uiteenlopende wetenschapsopvattingen welbewust open, vanuit de overtuiging dat die verscheidenheid zinvol kan bijdragen aan de noodzakelijke dialoog over de eigen identiteit van de VU. Tegelijkertijd kan deze 'veelkleurigheid' oorzaak zijn van de gesignaleerde terughoudendheid. "Dat is juist", aldus Verhoogt. "Het haalt soms de dynamiek uit een instelling wanneer men daarbinnen onderling verdeeld is over de richting die ze moet gaan. Aan de andere kant heeft het een geweldige cultuur-historische betekenis dat de VU ruimte biedt aan dit soort discussies. Ze bouwt daarmee voort aan haar traditie van nadenken over de pretenties en de grenzen van de wetenschap. Te vaak worden tradities gezien als starre, knellende banden, hebben we een wat spastische manier van omgaan daarmee. Ik vind het de moeite waard om in deze schrale tijden te putten uit de fontein van zó'n traditie. Het brengt een normatief bewustzijn met zich mee dat grenzen stelt aan de wetenschap en aan alles wat verzelfstandigd en verabsoluteerd dreigt te raken in onze maatschappij.''
O
f dit vurig pleidooi van Verhoogt voor bezinning en dialoog, vóór het congres binnen de VU-muren voldoende is overgekomen lijkt twijfelachtig. De deelname van sociale wetenschappers van de VU aan deze conferentie was, vriendelijk gezegd, zeer beperkt. Slechts een handjevol was aanwezig. Vol begrip haast Sander Griffioen zich verzachtende omstandigheden aan te dragen. ("Je weet hoe moeilijk dat nu eenmaal gaat tijdens de schoolvakantie. En we hebben heus heel positieve reacties op onze uitnodigingen gekregen van mensen die verhinderd waren.") Maar ook hij kan er niet omheen dat het vraagstuk van de 'christelijke wetenschapsbeoefening' niet echt schijnt te leven bij een groot deel van de (sociaal wetenschappelijke en wijsgerige) VU-medewerkers.
Griffioen: "Als het onderwerp van zo'n congres de eigen onderzoeksthematiek raakt, tja, dan wil men nog wel komen. Maar anders denkt men al gauw: leuk, maar het is mijn onderzoeksterrein niet. Ik denk dat dat ook de gesel is van het huidige onderzoeksbeleid, voorwaardelijke financiering en zo meer; men kan het zich nauwelijks meer veroorloven voor zoiets - hoe fundamenteel ook - tijd vrij temaken." Het is daarnaast ook heel wel mogelijk dat de wal het schip gekeerd heeft. Er zit namelijk ook een zeker minderwaardigheidscomplex achter het gegeven dat de intensiteit waarmee men hier nadenkt over de eigen identiteit, gering is. Een restant van het isolement waarin de VU een groot deel van haar bestaan verkeerde, en ten tijde waarvan deze instelling door de buitenwacht vaak wat meewarig en geringschattend werd bekeken. Griffioen: "Als reactie daarop wil men nu zó graag voor vol aangezien worden, dat het actief bezigzijn met identiteitsvragen en dergelijke niet bijster populair is. Dat zijn dan extra's die nog wel even kunnen wachten. Onzin natuurlijk. Want zo komt het er nooit meer van.'' Feit is dat desondanks Verhoogt en Griffioen geenszins gedeprimeerd ogen. "Nee hoor", zegt Verhoogt. "Waarom zouden we? Als je 't wat ruimer bekijkt dan zie je dat de samenleving langzaam tot het besef begint te komen dat de grenzen van de toenemende rationalisering en 'maakbaarheid' in zicht zijn. Er is een belangrijke kliimaatsverandering gaande - kijk bijvoorbeeld naar het postmodernisme - waarbij het superrationele denken, zoals het planningsdenken, uit de jaren vijftig en zestig in z'n tegendeel gaat verkeren. Dat denken stuit nu af op onbestuurbaarheid en onbetaalbaarheid.'' "Denk nu niet dat ik het eens ben met degenen die zich op uiterst primitieve wijze tegen dat rationaliseringsproces beginnen te keren en die het kind met het badwater dreigen weg te gooien. Zo is het niet. Tegen dat soort 'naturalisme' of romanticisme ben ik fel gekant. Waar het ons om gaat is, dat we dit proces én de alternatieven zorgvuldig willen wegen, schiften tussen wat nog de moeite waard is en wat niet. En hoe kun je dat anders dan met, laten we maar zeggen, 'normatieve beginselen'. Daarover ging ons congres dan ook.'' Griffioen: "En daarom hebben we na afloop ervan unaniem besloten er in 1990, in Toronto, weer één te houden..." D VU-MAGAZINE - OKTOBER 1987
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's