VU Magazine 1987 - pagina 228
teitsbestuur geen enkele zeggenschap heeft over het beleid van faculteiten. Alom wordt van een universiteitsbestuur tegenwoordig 'strategisch management' verlangd, zo betoogde Brinkman tijdens een lezingencyclus over de universiteit in het jaar 2000. Maar men vergeet gemakshalve dat zoiets met de huidige wet op het wetenschappelijk onderwijs onmogelijk is: "De meest elementaire bevoegdheden ervoor ontbreken." Er zit een merkwaardige gespletenheid in de bestuurstructuur waarmee de wetgever de universiteiten destijds in opperste wijsheid opzadelde. Aan de huidige wetgeving ligt ten grondslag de opvatting dat de universitaire gemeenschap in geledingen uiteenvalt: wetenschappelijk personeel, niet-wetenschappelijk personeel en studenten. In de universiteitsraad bepalen de gekozen vertegenwoordigers uit die drie geledingen gezamenlijk het beleid. Maar, aldus Brinkman, diezelfde wetgever had kunnen weten dat een universiteit niet primair uit geledingen maar uit faculteiten is opgebouwd: daar, en met in geledingen wordt inhoud en vorm gegeven aan de wetenschapsbeoefening. Wil een college van bestuur het goed doen, dan moet het zich dus in eerste instantie richten op faculteiten en tegelijkertijd in goede harmonie met de universiteitsraad opereren. Een haast onmogelijke opgave omdat faculteiten en universiteitsraad werelden apart zijn. De slagvaardigheid lijdt bovendien ernstig onder het verschil in bevoegdheden tussen de universiteitsraad (die over het geld gaat) en het college van bestuur (dat het personeel onder z'n hoede heeft). Brinkman: "In tijden van druk en verandering, van zorg om kwaliteit en prioriteiten is geïntegreerd beleid en bestuur een eerste vereiste." Maar, "gemeten naar wat met name politici tegenwoordig van universitair bestuur verwachten, kan gezegd worden dat de universiteit, in die zin, onbestuurbaar is gemaakt, dóór de wetgever,"
I
ntussen moet de schoorsteen, strijdgewoel of niet, wel blijven roken. Dat heeft men aan tal van universiteiten inmiddels goed begrepen. En gezien de gestage afname van geldelijke middelen die universiteiten voor hun onderzoek rechtstreeks uit handen van de overhand ontvangen - de zogenaamde 'eerste geldstroom' - zoekt men allerwege naar anderefinanciëlebronnen om de behoeften te bevredigen. Tot voor kort zochten onderzoekers die
VU-MAGAZINE — JUNI 1987
Drs. H.J. Brinkman (linksj: 'Wetgever heeft universiteit onbestuurbaar gemaakt' Foto Bram de Hollander
voor de eerste niet in aanmerking kwamen, hun heil vooral in de tweede geldstroom: de organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO) die het beschikbare overheidsgeld verdeelde over onderzoeksprojecten die, omdat ze bijvoorbeeld fundamenteel van aard of commercieel niet bruikbaar waren, nergens anders voor financiering in aanmerking kwamen. Eén op iedere vijf universitaire onderzoekers is in dienst van ZWO. De nadruk lag daarbij op 'zuiver'. Maar daaraan komt - o teken des tijds ook een eind nu deze organisatie een breder werkterrein krijgt toegemeten en ook toegepast onderzoek onder haar hoede neemt. Hoofdargument voor deze uitbreiding was de sterk toegenomen zuigkracht van onder meer het bedrijfsleven op potentiële onderzoekers. ZWO-directeur Prof. H.J. van der Molen in een interview met het weekblad Ad Valvas: "Als een wetenschapper de mogelijkheid heeft om bij wijze van spreken morgen aan een contractonderzoek te beginnen, dan kiest hij liever daarvoor dan voor een ZWO-project. Want de voorbereiding daarvan kost tijd en bovendien loopt hij het risico dat zijn aanvrage wordt afgewezen." Het neemt niet weg dat de academische vrijheid en de kansen voor fijndamenteel, niet op directe toepassing gericht onderzoek inmiddels wéér een .stukje geringer zijn geworden. Als gezegd neemt de aantrekkingskracht van het zogeheten contractonderzoek sterk toe: de derde geldstroom waarin bedrijfsleven en allerhande maatschappelijke instellingen de dienst uitmaken en, tegen betaling van een gepaste somme
gelds, onderzoek 'op maat' kunnen bestellen. Om een idee te geven: alleen al aan de VU bedraagt de omzet aan 'derdegeldstroomonderzoek' inmiddels al een slordige 32 miljoen gulden. Arie van der Zwan zal, gezien zijn eerdergenoemde, vergaande wijzigingsvoorstellen inzake het universitaire financieringsstelsel, deze ontwikkelingen alleen maar kunnen toejuichen. Hij zou de universiteiten immers nog het liefst tot soepel functionerende ondernemingen willen omvormen: zichzelf bedruipend, risicodragend, ondernemend. En in dat verband geldt: hoe meer contractonder-
Dr. Arie van der Zwan: universiteit al.s onderneming Foto ANP
Wie zou op dit moment met goed fatsoen de term 'universitaire autonomie' nog in de mond durven nemen? zoek hoe beter. Dat bevordert de universitaire autonomie. Jawel. Maar wetenschap is geen wasmiddel. En het is zeer de vraag of universitaire autonomie wel hetzelfde is als academische vrijheid. Want, zoals Erasmus ooit schreef: "De handeldrijvende klasse houdt niets meer voor heilig behalve financieel gewin, waar zij zich helemaal op toeleggen als was het God. Alleen naar deze maatstaf beoordelen zij godvruchtigheid, vriendschap, eer en reputatie, ja alles op hemel en aarde. De rest is nonsens." D De bedreigde universiteit; .Nijhoff, Leiden; f 22,50
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's