VU Magazine 1987 - pagina 225
uitputtend te resumeren. Eén grondtoon viel echter in bijna alle bijdragen te beluisteren: bezorgdheid over de consequenties van dit beleid voor de academische vrijheid. Bepaald nieuw is deze verontrusting niet. Ruim een halve eeuw geleden weerklonken in het deftige Auditorium aan het Leidse Rapenburg verrassend actueel klinkende geluiden uit de mond van de vermaarde historicus/. Huizlnga. "Men hoort bij allerlei gelegenheden de meening verkondigen, als zou in Nederland de wetenschap in hooge eere zijn. Dit is een fabel te achten. Het tegendeel is waar", zo sprak Huizinga toen. "Er bestaat bij ons te lande, ook in ontwikkelde kringen, gering begrip voor de beteekenis der wetenschap en het wezen der Universiteit, (j Eenig begrip van het belang der wetenschap heb ik er vergeefs () gezocht. () Een onzer oud-rectoren zei mij niet lang geleden, de maatschappij in Nederland heeft maling aan de wetenschap, tenzij zij er onmiddelijke technische of economische winst in ziet.'' Aan deze op orderportefeuille en geldzak gebaseerde kortzichtigheid is in 53 jaar tijds kennelijk weinig of niets veranderd. Maar daaraan zullen de wetenschappers, in het isolement van hun ivoren torens, ongetwijfeld toch ook zelf schuld hebben gehad.,.? Wat behelst die veel geprezen academische vrijheid eigenlijk? Of, zoals in de vraagstelling van K.L. Poll, waaruit is
'De maatschappij in Nederland heeft maling aan de wetenschap, tenzij zij er onmiddelijke technische of economische winst in ziet.' het bestaansrecht van de vrijheid van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, los van direct maatschappelijke nut of financieel gewin, af te leiden? De Groninger historicus. Prof.dr. E.H. Kossmam wijdde er op die gedenkwaardige congresdag in november '86 enkele beschouwingen aan. Academische vrijheid, in de zin van vrijheid van wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke discussie, is de enige voedingsbodem waarop wetenschap, al dan niet in toegepaste vorm, überhaupt kan gedijen. Zonder die vrijheid zou veel fundamenteel onderzoek, dat voor het lekenoog
nauwelijks enige tastbare vrucht lijkt af te werpen, als eerste sneuvelen. En slechts één van de gevolgen daarvan zou zijn dat de meer 'bruikbaar' lijkende varianten van de wetenschap op den duur evenzeer zouden verkommeren en wegschrompelen. Het gaat hier, aldus Kossmann om een negatief vrijheidsbegrip: "De wetenschappelijke onderzoeker mag niet belemmerd worden om te onderzoeken wat hij wil en om de resultaten van zijn onderzoek bekend te maken." Die vrijheid is een kasplantje, stiefmoederlijk bedeeld door geldschieters en algemene opinie. Een kwetsbaarheid die nog eens vergroot wordt wanneer, in tijden van broekriem-, kaasschaaf- en no-nonsensepolitiek, het maatschappelijk nut van een tak van wetenschap niet direct aantoonbaar wordt geacht en samenleving en politiek in toe-
nemende mate geïrriteerd raken door de mogelijkheid dat ze door diezelfde wetenschap ook nog eens kritisch benaderd kunnen worden.
K
ossmann beklemtoonde hoe moeilijk het is de academische vrijheid te verdedigen in een tijd waarin het beoogklepte denken de boventoon voert. Hij zei het zo: "Die stelling dat wetenschappelijk onderzoek vrij bedreven moet kunnen worden en niet door algemene regels of doelstellingen mag worden beperkt of geleid, ziet er dunkt mij, heel mooi en nobel uit, maar zij overtuigt slechts weinigen. Het valt ons in de late twintigste eeuw nu eenmaal moeilijk om, zoals sommige hoog.staande liberalen in de negentiende eeuw, te geloven in de ver boven belang en materie uitstijgende, waardevrije, volstrekt obVU-MAGAZINE —JUN11987
jectieve wetenschap die zich met zekerheid van resultaat naar resultaat uit geheel eigen impulsen en inspiratie autonoom ontwikkelt. Het is ons onmogelijk om in de laat-twintigste-eeuwse universiteiten de geïsoleerde bolwerken te zien die hoogstaande liberalen in de negentiende eeuw er wel in zagen, bolwerken van 'studie van wetenschap op en om haarzelve', zoals niemand minder dan Thorbecke het in de jaren 1860 uitdrukte." Niet alleen is de destijds heersende visie op de wetenschappelijke objectiviteit inmiddels ingrijpend veranderd, ook zijn de universiteiten van nu aanzienlijk groter en is hun instandhouding aanzienlijk kostbaarder geworden dan toen, hetgeen zo'n isolement in onze tijd ondenkbaar maakt. Daar komt bij, aldus Kossmann, dat de academische vrijheid niet langer VU-MAGAZINE —JUN11987
bedreigd wordt door de gevaren die in de vorige eeuw een rol speelden: de dwingende dogmatiek van een kerk dan wel die van politieke en nationale beginselen. Anders gezegd: de academische vrijheid staat aan andere gevaren bloot dan vroeger en moet dus op een andere manier worden verdedigd. Blijft in eerste instantie de vraag welke gevaren dat vandaag de dag precies zijn.
V
oor de opsomming daarvan hadden de congressanten de gehele dag uitgetrokken. Kossmann zelf noemde er alvast drie. Ten eerste de huidige verheerlijking van al wat bestuur - tegenwoordig liever: management heet. In de tweede plaats de koele vijandigheid van de verantwoordelijke politici jegens wetenschappen die geen tastbaar economisch gewin opleveren, "of
niet op stel en sprong de deskundigen afleveren die het eveneens met exaltatie bewierookte bedrijfsleven op dit moment meent nodig te hebben." En tenslotte de onzelfstandigheid van de universiteiten ten opzichte van de rijksoverheid; een historisch gegeven waarvoor de basis al in 1815 werd gelegd, Die onzelfstandigheid hebben de universiteiten voor een belangrijk deel aan zichzelf te wijten, betoogde Prof.dr. B. Leijnse, hoogleraar chemische pathologie aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit. Ze hebben gefaald in de voortdurende strijd tegen hun "dierbare erfvijand", de Staat. Met name in het recente verleden hebben zij zich verder verlies van hun onafliankelijkheid laten welgevallen in de overtuiging er althans materieel op vooruit te gaan. En niet in de laatste plaats hebben zij zich door een 5
Enliele 'bolwerlien van studie van wetensciiap op en om haarzelve...' Vanaf linltsboven met de l<lol< mee de gebouwen van: Rijksuniversiteit Groningen, Rijksuniversiteit Leiden (Loek Zuyderduin), Universiteit van Amsterdam (Ronald Sweering), Technische Universiteit Eindhoven (Flying Camera), Vrije Universiteit (AVC/VU), Katholieke Universiteit Nijmegen (R. Gras), Rijksuniversiteit Utrecht (RUU/OMI) en Rijksuniversiteit Limburg
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's