Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1987 - pagina 285

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1987 - pagina 285

4 minuten leestijd

den", schreef hij jaren later In brieven aan bekenden. "Toch altijd al zenuwachtig, was 't na mijn ziekte erger geworden. En - 't ging mis. En misschien kunt u 't zich Indenken." En: "Met mij is nooit wat gebeurd. Ik geef er totaal niets om. Als Ik een jongen maar een beetje mag verwennen. Jople gaf er nu wèl om, en omdat hij zo aardig was geweest om mij te willen troosten toen Okke wegging, zei ik: nou vooruit, fiat, laat Ik het dan maar doen. Het was natuurlijk oer-oer-stom. Dat geef ik graag toe." Loslippigheid van een jong vriendje, 'B.', van de Amsterdammer Ernst Groenevelt - een goede kennis van De Mérode met wie hij liefde voor de literatuur en pedofiele voorkeur deelt - brengt de zaak aan het rollen. Deze B. komt in 1924 In aanraking met de politie en laat, op de vraag of hij er meer kent 'die zo zijn als Groenevelt', Keunlng's naam vallen. Daarna volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. De hoofdstedelijke politie tipt de burgemeester van Uithuizermeeden. Vanaf dat moment houdt de dorpsveldwachter het huls van Keuning nauwlettend in de gaten, noteert wie er zoal op bezoek komt en voelt deze en gene aan de tand. Het belastend materiaal tegen Keuning dat hij zo al snel verzamelt rapporteert hij aan de burgervader. Deze laat Keuning onmiddelijk arresteren, In de avond van de 26e februari 1924. In één klap ligt De Mérode's reputatie als dichter en onderwijzer aan diggelen. Hij is dan zesendertig jaar oud.

Handschrift van De Mérode; manuscript van het gedicht 'Mijn zoon geef mij uw hart', opgenomen in 'De stille tuin'

rozenhof \IB\\ te beluisteren, had meerdere oorzaken. De directe aanleiding was het feit dat de kerkeraad van de gereformeerde kerk In Ulthulzermeeden, ondanks het door De Mérode persoonlijk aan de dominee betoonde schuldbesef en berouw, hem wilde dwingen tot een publiekelijk schuldbelljden in de kerk. Pas dan zou zijn 'waarachtige boetvaardigheid' over de door hem begane 'zonde van Sodom' blijken. Willem de Mérode vertikte het. Niet alleen omdat hij terecht meende dat hij al genoeg gestraft was - "Ik geloof niet dat er een naam zo door 't land gewaaid Is als de mijne" -, maar vooral ook omdat men hem de (niet-sexuele) liefde voor jongens wilde doen afzweren. Dat laatste was voor hem onmogelijk, zoals hij later aan Wilma Vermaat schreef: "Ik moest bekennen dat een jongen niet van een jongen mag houden. En dat kon Ik niet. Zou ik niet van Okke hebben mogen houden? En omdat ik dat niet kon, ben Ik ook daar de verstokte zondaar geworden, die roemde in het kwade." Voor De Mérode betekende dit het einde als 'lidmaat' van de gereformeerde kerken. Hij zou nooit meer tot een kerk behoren.

E

en andere achtergrond van zijn uitgesproken hekel aan de 'lieve christenen', zoals hij ze spottend herhaaldelijk noemde, was zijn, al uit vroeger jaren daterende houding jegens de orthodoxe dogmatiek. Die strakke geloofsleer trok hem enerzijds aan als 'veilig en zeker' element In de gereformeerde godsdienst, maar boezemde hem anderzijds afkeer In.

lllem de Mérode wordt op grond van artikel 248bls veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, wegens 'ontucht' met minderjarigen van hetzelfde geslacht. Voor de meesten uit die tijd een volstrekt onvoorstelbare sexuele ontsporing. Als bijkomende straf ontzegt men hem drie jaar lang het recht om als onderwijzer voor de klas te staan; geen echte straf voor De Mérode die het lesgeven altijd al als een beproeving had ervaren. Hij zou die functie ook nooit meer ambiëren noch uitoefenen. Wèl zwaar, bijna rampzalig Is voor hem het verblijf in de Groningse strafgevangenis; wanhoop en vertwijfeling brengen hem aan de rand van de afgrond. Alleen de correspondentie met de enkele, hem trouw gebleven vrienden, onder wie Wilma Vermaat en pater Jos van Wely, houdt hem op de been. In zijn cel schrijft hij De rozenhof, een bundel kwatrijnen waarin berouw en wrok, boetedoening en afkeer van 'schijnheiligen en vromen' die hem genadeloos lieten vallen, elkaar afwisselen.

Wi

Vrijmoedig lieb ii< in Uw tuin gedwaald, de sciioonste rozen iieb ii< stout gefiaaid. O 't dromen van hun donl<errode zoetheid! tieiaas, heiaas, ii< heb ze duur betaaid. Zij zaten breed op l<ussens van geioof, rijl< in geiul<, voor alie eiiende doof. ik i<iaag mijn ieed de grote Bedeiaar, die zacht Zijn arm onder mijn armen schoof

De verbittering jegens zijn geloofsgenoten, die in het laatste van deze twee kwatrijnen doorklinkt en vaker In De

20

VU-MAGAZINE - JULI/AUGUSTUS 1987

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

VU-Magazine | 485 Pagina's

VU Magazine 1987 - pagina 285

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

VU-Magazine | 485 Pagina's