VU Magazine 1987 - pagina 151
H in de wetenschap zijn voorgeschreven. Begrijp me goed: die strenge regels vind ik daar absoluut op hun plaats. Daar wil ik helemaal niet aan tornen. De eisen die gesteld worden, de waarborgen, de 'herhaalbaarheid' en 'verifieerbaarheid'; allemaal prima. Maar het kan gebeuren dat de één of andere kunstenaar iets zegt dat, puur vanwege de vorm, of omdat het een rare snaar bij de mensen raakt, zonder verder bewijs aanvaard wordt, vóór de wetenschap, met die wat moeizaam voortploeterende techniek, tot eenzelfde slotsom komt. Dat gaat bijvoorbeeld op voor veel psychologische inzichten. Freud gaf zelf toe dat hij veel van zijn ideeën aan de Franse literatuur ontleende. Het geldt ook voor de biologie. Bij uitstek geiden voor mij als voorbeeld die twee regels van de dichter Bloem, die mij al van vóór mijn doctoraalexamen in 1954 intrigeren. Want ik wist door een keuze verloren Elkander verlokkend bestaan Dat is meer dan prachtige poëzie: die woorden hebben een biologische betekenis; ze houden me voor mijn gevoel nu al eeuwen bezig. En nóg kan ik er als bioloog geen vatopkrijgen. Ik heb Bloem wel eens ontmoet. Hij was het tegendeel van een wetenschapper. Die zinnen zal hij vanuit zijn levenservaring hebben opgeschreven. In die context zijn ze
'Slordigheid leidt al of niet gedwongen tot creativiteit, en creativiteit - het opvreten van wat vreennd is en onnzetten tot wat eigen is - is de nnetafoor voor leven.' waar. Maar mijns inziens is het een veel algemenere waarheid."
B
ijna vijfendertig jaar lang is Hilienius nu dus binnen de biologie op zoek naar de in wetenschappelijk opzicht sluitende argumenten die Bloem's algemene waarheid bevestigen. Daarbij moet hij als wetenschapper soms corrumperende aanvechtingen weerstaan. In De hersens een e/erzeef schrijft hij daarover: "In enkele gespecialiseerde gevallen is het duidelijk: een slang zal nooit, nog in geen honderd miljoen jaar, nakomelingen krijgen die kunnen vliegen of pianospelen. Omdat slangen ooit de keus maakten, de richting, van verlies van ledematen. Maar ik denk dat het een veel algemenere wet is die Bloem raakte, alleen kom ik niet verder. In zulke gevallen is het verleidelijk om je bewijsmateriaal te vervalsen of misschien bij te stellen." Hilienius blijft er, naar eer en geweten, voorlopig nog mee tobben. Maar hij noemt wél een sprekend voorbeeld van een wetenschapper die minder sterk in zijn schoenen stond en het in een soortgelijk geval met de bewijsvoering minder nauw nam: Cyriel Burt die zó graag wilde bewijzen dat de erfelijke
18
factor bij eeneiige tweelingen doorslaggevend is, dat hij het bijpassende bewijsmateriaal uit zijn duim zoog. Terug bij de relatie tussen kunstzinnige waarheden en de weerbarstige wetenschap, constateert Hilienius dat bij Bloem meer van dergelijke intrigerende zinnen zijn te vinden. Zoals in de na zijn dood verschenen bundel Aforismen 6e uWspiaak: Elke verandering is een verslechtering, zelfs een verbetering. Hilienius: "Veel mensen vinden dat een mooi geformuleerd soort onzin. Maar biologisch is dit absoluut waar. Deze spreuk past namelijk prachtig op het nut - ik wees er zoeven al op - dat het bijhouden van lijsten met planteen dierenamen kan hebben voor het voortbestaan van de eigen soort. Veranderingen die daarin optreden kunnen immers een voorspellende waarde hebben met betrekking tot bijvoorbeeld de aantasting van het natuurlijke milieu. Alle planten en dieren zijn volkomen aangepast aan de omstandigheden. Veranderen de omstandigheden dan passen ze niet meer. Maar deze uitspraak van Bloem zet natuurlijk wel een fikse domper op alle menselijke activiteiten." ...En op het vooruitgangsgeloof... "Ja, ja, dat ook, ha ha!" I mmer weerkerend thema in het werk van Dick Hille1 nius is het pleidooi voor een opener uitwisseling van i ideeën tussen, en waar mogelijk integratie van kunsten en wetenschappen. Hij probeert dit ideaalbeeld in ieder geval voor zichzelf na te streven, in eigen persoon de kunstenaar en de wetenschapper te laten versmelten.
De hersens een eierzeef? Als bioloog is Dr. D. Hilienius (1927) verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn specialisme is de herpetologie,, de studie van reptielen, en zijn onderzoek richt zich met name op kameleons, kikkers en padden. Die bezigheden staan niet los van zijn activiteiten als dichter en essayist, want ook daarin speelt de biologie een voorname rol. Op welk terrein hij zich ook begeeft — en dat kunnen er vele zijn — steeds toont hij zich de verwonderde, onvooringenomen observator die van zijn bevindingen op speelse, prikkelende wijze verslag doet. Daarvan getuigen een groot aantal eerdere publikaties van zijn hand, waarin hij graag polemieken uitlokt en gevestigde meningen aan het wankelen brengt. Hij doet dat ook weer in de twee boeken die eind 1986 verschenen; Wat kunnen wij van rijke mensen leren?, een bundeling van essays, dagboeknotities, gedichten en aanzetten tot verhalen, en De hersens een eierzeef Het laatste boek bevat de volledige tekst van de lezingen die Hilienius in oktober en november aan de Rijksuniversiteit te Groningen hield. Op uitnodiging van de Groningse universiteit en onder auspiciën van de Vereniging van Onderwijs, Kunst en Wetenschap verbleef hij daar enige tijd als gastschrijver. ,,Een idee vind ik het belangrijkste wat je van tijd tot tijd kunt veroveren", schrijft hij in een woord vooraf. ,,Natuurlijk niet een platonisch idee — een door onwillige zintuigen noodgedwongen oppervlakkig beeld van de werkelijkheid — maar.
VU-MAGAZINE — APRIL 1987
f
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's