VU Magazine 1987 - pagina 165
leen maar geschikt zijn voor hulpverlening aan een bepaalde groep mensen, en daardoor anderen in de kou laten staan. Vrouwen klagen over het gebrek aan kennis over specifieke vrouwenproblemen en vormen om die reden een eigen hulpverleningscircuit. Door anderen wordt gewezen op het feit dat een zekere verbale begaafdheid wel erg wenselijk is voor veel therapieën, die toch voornamelijk uit 'het gesprek' bestaan. Mensen die hun gevoelens minder makkelijk onder woorden kunnen brengen - en dat zijn er nogal wat - lijken niet terecht te kunnen bij ambulante instellingen en verdwijnen relatief vaker naar psychiatrische ziekenhuizen. De snel groeiende groep leden van een etnische minderheid kan met psychische problemen erg moeilijk bij de ambulante geestelijke gezondheidszorg terecht. Niet alleen vanwege het taalprobleem, maar ook omdat bij hulpverleners vaak te weinig bekend is over de specifieke problemen van deze groepen. Voorts lijken veel RIAGG's zich onbedoeld ook te bedienen van de zogenaamde wachtlijsttherapie. De capaciteit van een aantal instellingen is niet voldoende om hulpzoekenden ook direct te kunnen helpen. Vaak ontbreekt een 24-uursopvang waardoor men alleen tijdens kantooruren kan helpen. Sommige mensen worden dus onverrichterzake naar huis
De capaciieii van een aaniai instellingen is niet voldoende om hulpzoekers ook direct te kunnen helpen. gestuurd, en dat kan leiden tot afschuwelijke situaties. Enkele maanden geleden kwamen kort na elkaar twee mensen door suïcide om het leven. Zij hadden bij een RIAGG aangeklopt maar daar had men hun situatie niet zo ernstig ingeschat, of ontbrak de mogelijkheid voor directe hulp. Minder ernstige gevallen worden op een wachtlijst gezet die soms enkele maanden lang is. Tegen de tijd dat iemand aan de beurt is, is het probleem waar het om begonnen was soms niet meer zo acuut, of zocht de hulpvrager een andere weg.
W
ie nu denkt dat de 'uitvinder' van de psychotherapie, Sigmund Freud, zelf zulke duidelijke regels had over de organisatie van de behandeling, komt bedrogen uit. De psychoanalyticus Harry Stroeken schreef 32
in Freud en zijn patiënten dat de eerste gesprekken die Freud met mogelijke cliënten voerde altijd kort waren. Hij wilde op zijn eerste indruk afgaan om te bepalen of er met de patiënt in een analyse iets te bereiken zou zijn. Voor Freud was dat het criterium om met de behandeling door te gaan. Een patiënte, waarin hij niets zag, stuurde hij eens door naar een leerling, met de vermelding "geschifte kip". Stroeken vermeldt dat Freud geneigd was bij mensen die hij sympathiek vond, meer positiefs te veronderstellen, en dat leidde uiteraard wel eens tot teleurstelUngen. "Een doorsnee paardenhandelaar zou meer mensenkennis gehad hebben dan Freud." Het intake-gesprek, het eerste gesprek dat met een hulpzoekende wordt gevoerd, kan niet door iedereen zo snel worden beoordeeld als Freud deed. Daarom zijn er in de loop der tijd regels gemaakt omtrent het voeren van dergelijke gesprekken. Na zo'n eerste gesprek worden de problemen van de betreffende persoon besproken in het team, waarop een voorstel wordt gedaan voor het vervolg van de behandeling. Zo'n intake-gesprek is daarom van het grootste belang voor een goede keuze van de behandeling. De psychotherapeut dr. A.J. de Jong, die aan de Utrechtse universiteit onlangs promoveerde op een proefschrift met als titel Intake voor psychotherapie, stelt dat de kwaliteit van de meeste intake-gesprekken niet zo hoog is als eigenlijk wenselijk zou zijn. Op grond van een intake wordt immers een voorstel gedaan voor een behandelwijze die past bij het gesignaleerde probleem. Typerend is volgens De Jong dat men nog steeds geen goed nederlands woord heeft gevonden voor 'intake'. Met de opkomst van nieuwe behandelvormen wordt het eerste gesprek ook steeds belangrijker. De Jong introduceert in zijn proefschrift het zogenaamde brugklasmodel, dat als uitgangspunt heeft de aansluiting van de intaker met de patiënt. Door middel van een persoonlijke relatie moet de intaker aansluiten bij het psychisch functioneren van de patiënt, om deze relatie vervolgens te onregelen, zodat bekeken kan worden hoe de herhaling van dit patroon kan worden beïnvloed. De intaker zal de patiënt dus op een bepaalde mate uit zijn of haar evenwicht moeten halen, om te observeren hoe de patiënt met die - meestal bedreigende - situatie omgaat. Op grond daarvan kan per situatie worden vastgesteld wat de beste behandelwijze is. Het intake-gesprek is daarom te zien als de
eerste fase van een behandeling. En met de goede keuze van een behandeling wordt voorkomen dat mensen verschillende behandelingen ondergaan voordat uiteindelijk de juiste wordt gevonden.
O
ver de achtergronden van het onstaan van de RIAGG's schreef dr. Tom van der Grinten een proefschrift waarop hij onlangs aan de Erasmus universiteit promoveerde. Die studie, getiteld De vorming van de ambulante geestelijke gezondheidszorg tracht de huidige problemen van de RIAGG's te verklaren uit de ontstaansgeschiedenis. Kenmerkend voor de geestelijke gezondheidszorg in Nederland is, zo steU Van der Grinten, dat deze is georganiseerd op basis van de verzuiling. Hij gaat daarvoor terug in de geschiedenis, tot aan de Armenwet uit de vorige eeuw. De steun die de overheid via deze wet aan de gezondheidszorg gaf werd later ondergebracht in een ziekenfondsstelsel. Dat stelsel was echter vrijwillig, zodat de armen meestal toch nog waren aangewezen op de bijstand of liefdadigheid. Daardoor kwam er ruim baan voor particuliere initiatieven, die vaak goedkoper waren omdat het personeel minder verdiende dan personeel in overheidsdienst.
Rond de eeuwwisseling kwam de Algemene Nederlandse Vereniging Het Groene Kruis tot stand en al snel werden ook vanuit het particulier intitiatief twee kruisverenigingen opgericht, die uiteindelijk resulteerden in de Rooms-Katholieke Federatie Het Wit-Gele Kruis en de Protestants-Christelijke Landelijke Vereniging Het Oranje-Groene Kruis. Dit kleurrijke gezelschap vormde de basis voor het ontstaan van de georganiseerde gezondheidszorg in Nederland. Veel regelingen en wetten en vooral langs elkaar heen werkende voorzieningen in een verzuild kader. De behoefte in confessionele kring aan staatsonthouding, om zodoende meer ruimte te krijgen voor de eigen ontwikkeling, verschoof na verloop van tijd meer in de richting van behoefte aan steun van de overheid. Niet een overheid die slechts aanvullend optrad wanneer het particulier initiatief in gebreke bleef, maar een overheid die de zelfwerkzaamheid van de particuliere organisaties steunde en stimuleerde. Zo ontstond het systeem waarbij de uitvoering van de zorg in hoofdzaak door particuliere organisaties geschiedt en de rol van de overheid zich beperkt tot het leveren van subsidie en het uitoefenen van toezicht.
VU-MAGAZINE - APRIL 1987
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's