Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1987 - pagina 118

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1987 - pagina 118

5 minuten leestijd

De preutse trekken die Van Eeden wel in zijn oordeel vertoonde zijn overbekend uit zijn reactie op de roman Een liefde van Van Deyssel, wat hij een 'vies' boek vond. Dèr Mouw kende een dergelijke preutsheid niet, althans niet meer, immers Brahman omvat ook het lagere en legt hem geen enkele seksuele terughoudendheid op. Zo konden gedichten onstaan die voor hun tijd zeer vrijmoedig klinken. Wat Dèr Mouw zelf in praktijk bracht van de daden die hij beschreef is gezien zijn zwakke gezondheid en de schuldgevoelens waar Brahman hem getuige de gedichten nooit geheel van heeft verlost zeer de vraag, maar de genoegens zijn volgens de tekst intens: "Half bewustloze wellust, tong aan tong -", of "met een meid naar bed, en van genot/ schreeuwen en schreeuwen doen, een keer of zes."

Van Eeden om eens wat van die gedichten voor te lezen. "Ik deed het," vervolgt het dagboek, "naar hun aanwijzing. En het waren die sonnetten die Jezus verwierpen. De bitterste. Toen werd mij te verstaan gegeven dat de man die dat schreef ongelukkig was en radjn hulp behoefde.'' Boeiend is de correspondentie die hierna tussen de twee dichters onstond. Maar Van Eedens hulp had Dèr Mouw slechts nodig als het ging om het publiceren van zijn gedichten.

I

n zijn artikel voert Van Eeden naast het godslasterlijke karakter van sommige gedichten nog een tweede mogelijk bezwaar aan. Er zijn volgens hem gedichten die "zeer indecent genoemd kunnen worden door een fatsoenlijk mensch".

'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid. Ik doe in huis het een'ge, dat ik kan: 'k gooi mijn vuilwater weg en vul de kan; maar 'k heb geen droogdoek; en 'k mors altijd. Zij zegt, dat dat geen werk is voor een man. En 'k voel me hulploos en vol zelfverwijt, als zij mijn lang verwende onpraktischheid verwent met wat ze toverde uit de pan. En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt tot feeérie van wereld, kunst en weten: als zij me geeft mijn bordje havermout, en 'k zie, haar vingertoppen zijn gespleten, dan voel ik éénzelfde adoratie branden voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.

VU-MAGAZINE — MAART 1987

Een aardig detail is dat Van Eeden Dèr Mouw éénmaal tot enige terughoudendheid wist over te halen. De plastische regel "Ik likte langs de aardbei van je tong" werd "Ik proefde je stem, een aardbei, op mijn tong''. Van Eeden had nogal wat moeite gehad met het accepteren van het uit de Brahmanleer voortspruitende 'godslastelijke' of 'indecente' karakter van bepaalde gedichten, maar de lezer van de Groene Amsterdammer wordt uiteindelijk gerustgesteld. Het is allemaal "volkomen goed en in orde. Wie zoo sterk voelt, en zoo oprecht en meesterlijk spreeken kan, die doet het."

D

èr Mouw had natuurlijk ook zijn oordeel over Van Eeden. De laatste moest in zijn dagboek noteren dat woorden zoals 'wenen', die hij in zijn poëzie gebruikte, volgens Dèr Mouw niet "door de gemeenschap met werkelijkheid worden gevuld". Deze kritiek, die op het gros van zijn tijdgenoten toepasbaar is, typeert Dèr Mouw, die in een natuurlijke taal wilde schrijven en boekerigheid meed. Juist hierom zou hij bewonderd gaan worden. Onder meer door de aanvoerder van de Forumgeneratie, Memo ter Braak, die vond dat Dèr Mouw dichtte ' 'in een vruchtbare familjare natuurlijkheid, die in de nederlandse literatuur van die dagen een bijna onbekend verschijnsel i s . " Een volgende flinke stap in de literatuurgeschiedenis brengt ons bij het tijdschrift Barbarber. Dit tijdschrift, dat in de jaren zestig verscheen en waarin auteurs als K. Schippers en C. Buddingh' opereerden, beoogde onder meer wat literatuurhistorici de 'democratisering van de taal' noe-

men: het zogenaamde dichterlijke taalgebruik werd gemeden of geparodieerd. De beste gedichten schrijft men al aardappels schillend, realiseerde Buddingh' zich, die zich in een van zijn bekendste gedichten liet inspireren door het deksel van een potje Heinz Sandwich Spread.

Frederik van Eeden (1920): ethisch georiënteerd christen.

Het Buddingh'-effect: in wezen was het een afgeleide van het Adwaita-effect. Op zichzelf had Buddingh' geen bezwaar tegen verhevenheid, zou hij in een interview zeggen, het gaat erom hoe de verhevenheid wordt uitgedrukt. En vervolgens noemt Buddingh' Adwaita, die dat volgens hem "magistraal eenvoudig" doet. Barbarber erkende ook een zekere schatplichtigheid door in een van de afleveringen een gedicht van Dèr Mouw op te nemen. Weer tien jaar later, eindjaren zeventig, werd het sonnet na gedurende twee decennia te zijn verguisd opnieuw een populaire versvorm. De belangrijkste nieu-

Ik sprak enthousiast over 't Parthenon, hoe 't op verende berg zweefde, als een blank snaarinstrument, dat door zijn zuilen, rank, de wereldlucht tot aan de horizon maakte tot één akkoord van marmren klank toen plotseling een draaiorgel begon door de open deuren, dwars over 't balkon' te spugen zijn kwijldraderig gejank. En 'k dacht: Ja Brahman is de Kunstenaar: Hij, Shakespeares voorbeeld, zet vlak naast elkaar het hoogverhevene en het laagkomieke. En wat in Cyrano de Bergerac de bakker zei, toen men zijn glaswerk brak, dacht ik: Il casse tout, c'est magnifique.

we sonnettendichter. Jan Kuijper, erkende de invloed van Dèr Mouw, onder andere door in zijn eerste bundel als motto een citaat uit diens werk op te nemen. Tegen T. van Deel zei hij in een interview over Dèr Mouw: "Hij heeft een filosofische, of ook wel theologische, bedoeling met zijn dichtwerk, die misschien niet iedereen aan zal spreken". En hij voegde er tussen haakjes aan toe: "mij trouwens ook niet". "Als het die Wereldziel niet is, wat trekt je dan zo aan in Dèr Mouw?" vroeg de interviewer aan Jan Kuijper. Het antwoord luidt: "Dèr Mouw dicht in de spreektaal. Daardoor maakt hij tussen de andere dichters van zijn tijd een bijzonder frisse indruk. Hij gebruikt bovendien

29

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

VU-Magazine | 485 Pagina's

VU Magazine 1987 - pagina 118

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

VU-Magazine | 485 Pagina's