Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1987 - pagina 32

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1987 - pagina 32

6 minuten leestijd

zakelijking, die vat de werkelijkheid op als een ding, een 'het'. Dat acht ik een grote zonde."

M

oet de wetenschap dan maar stoppen met het in kaart brengen van zoveel mogelijk kennis? Dat hoeft niet, aldus Fennema: "Als we maar zien dat de werkelijkheid van het landschap méér is dan de som van alle kaarten. Het landschap zelf kun je alleen beleven, door er zelf doorheen te lopen. Dan houdt wetenschap op. Verwondering grijpt je aan en brengt je tot zwijgen." Uit dat 'het'-denken komt alle ellende voort, betoogde Fennema. Hij pleitte voor een andere benadering. ' 'De werkelijkheid moet voor ons niet een 'het', maar een 'jij' zijn. Die 'jij' leeft, is anders dan ik, heeft iets eigens, dat om eerbiediging vraagt. Natuurlijk mogen we onderzoeken en ontleden, maar die 'jij' is er niet om door ons gemanipuleerd te worden. Onze machtsdrift dient een halt te worden toegeroepen.'' Het 'het'-denken leidt er volgens Fennema ook toe dat er steeds een eenrichtingsverkeer is, van de mens naar de hem onringende wereld. Maar waarom kan het ook niet andersom? Fennema: "We zijn van jongsaf volgestopt met strukturen, denkkaders en woorden van volwassenen. Daarmee zet-

'De mens zoekt denkend en proberend naar verbeteringen, juist omdat hij zwak is. Techniek is z'n enige wapen.' ten wij de wereld naar onze hand. We zijn dan vaak het besef kwijtgeraakt dat de werkelijkheid ook op óns kan afkomen. Verwonderd en sprakeloos blijven we na zo'n ervaring achter. Het is met die werkelijkheid als met een blinde mens die tastend langs de muren z'n weg tracht te vinden. Niet zijn ogen, maar de stenen vertellen hem waar en wie hij is. Misschien zou ik als wetenschapper dan nog verder willen gaan met onderzoeken en analyseren, maar ik kan niet. Ik ben bevangen door overmacht. Elk spreken is dan alweer ordenen. Alleen zwijgen laat die ervaring van overmacht intact.'' Dat lijkt op bijbelse openbaringstaai. Maar Fennema is huiverig voor die woorden: "Het woord 'god' of 'openbaring' gebruik ik liever niet, uit angst te 30

worden misverstaan. Die woorden zijn eeuwenlang op een bepaalde wijze ingevuld en verstard. Het gevaar is groot dat ik dan vergeet dat het gaat om een ervaring die alle ervaring te boven gaat. De bijbel wordt weer verzakelijkt. Hij brengt ons dan een vaststaande, onveranderlijke boodschap, die weer tot 'ding' is geworden. Ook hier moetje dus, met een open geest, leren zwijgen", aldus Fennema aan het eind van z'n toespraak.

W

anneer theologen menen dat hun vak wijze lessen voor technici bevat, klinkt dat al gauw als een forse aanmatiging. Kerk en theologie hebben in de loop der geschiedenis weinig anders gedaan dan tot natuurwetenschappers en technici te roepen: jullie kunnen nog wat van ons leren! Vele fysici zijn daar allergisch voor geworden. Dr. LJ. van den Brom, theoloog en predikant, wilde met zijn lezing op de studiedag een dergelijke indruk vermijden, "want de Kerk lijkt niets geleerd te hebben van het proces tegen Galileï." Die beweerde dat de aarde niet het middelpunt van het heelal was, en dat kwam hard aan tegen het zere been van kerkelijke gezagsdragers. Toch slaagde Van den Brom maar ten dele, want het geheven vingertje leek toch weer opgestoken te worden, en stak bij sommigen in het verkeerde keelgat. "De theologie leert de technologie dat alle techniek, alle maakbaarheid binnen onze wereld ligt", aldus de godgeleerde. "De mens kan de schepping wel op onderdelen veranderen, maar nooit het geheel. De theologie wijst de techniek de grenzen daarvan aan. De maakbaarheid van het gehéél van onze wereld ligt buiten onze mogelijkheden. Die berust bij God de Schepper." "Een platitude", bromde hoogleraar elektronica Davidse later op de dag. ' 'Wanneer theologen zich weer eens met een boodschap tot de technische wetenschap richten, dan zijn dat meestal dingen die we of allang wisten, of waar we zonder de theologie ook wél achter gekomen waren." Technici en natuurkundigen zijn zich veelal heel goed bewust van allerlei grenzen. Die hoeven niet door theologen aangeduid te worden, meende de hoogleraar: "Er zijn grenzen die de natuur stelt, en er zijn beperkingen die ons technisch kunnen ons oplegt. Alleen bij ethische vraagstukken is het moeilijker." Voor het overige kwam Van den Brom,

die aanvankelijk wiskunde had gestudeerd, met een aantal opvattingen in de buurt van het grens-besef van Fennema: op een bepaald punt houdt de wetenschap op, en wordt alles onzeker of onzegbaar. "Men is in de natuurkunde voorzichtiger geworden", zo was Van den Brom vanuit z'n pastorie in Soest opgevallen, "er is iets aan het wankelen. Wat tot voor kort leek vast te staan, is nu ineens niet zo zeker meer. Is een elektron wel een deeltje, zoals onomstotelijk leek? Of zijn haar voortbrengselen niet meer dan modellen, een soort kopieën van de werkelijkheid, met een slechts beperkte geldigheid?" Als dat zo is, is natuurkunde niet persé objektiever dan het christelijk geloof: "Ook een gelovige meent iets te zeggen over hoe alles in elkaar steekt. Ook de gelovige werkt met modellen: God, lezus Christus, Heilige Geest. Zo wil hij iets zeggen over het allesomvattend model van de schepping."

Z

o bezien hoeven natuurkunde en geloof elkaar niet uit te sluiten, volgens Van den Brom. Beider wereldbeeld kan er zelfs in belangrijke mate eender uitzien: "De natuurwetenschap denkt in een rangorde van inelkaar grijpende stelsels, van lage naar hoge. Elke hogere laag is opgebouwd uit de lagere, en heeft bovendien iets eigens dat de lagere niet hebben, en dat ook niet uit de lagere verklaard kan worden. Gewone moleculen bij voorbeeld kunnen zichzelf niet voortplanten, maar DNA-moleculen wèl. 'Leven' op zijn beurt is niet vanzelfsprekend af te leiden uit natuur- en scheikundige processen. En de mens tenslotte heeft bewustzijn van zichzelf en van de ander. Maar wat is de allerhoogste orde? Waarom zeggen we ineens 'stop' wanneer we de mens en diens samenlevingsverbanden hebben gehad? Is er niet een nog hogere laag? Waarom zullen we die dan geen 'God' noemen?", aldus de predikant. Natuurkunde en godgeleerdheid houden zich dus met één en dezelfde werkelijkheid bezig, maar vanuit een ander gezichtspunt. De natuurkunde begint bij de kleinste deeltjes en hoopt uit te komen bij het alomvattend geheel. De theologie begint juist aan het andere eind: "God is in die werkelijkheid op ieder punt aanwezig. God draagt, omringt en leidt de werkelijkheid. Die werkelijkheid bestaat niet alleen maar uit wetmatigheden en kansfactoren, zoals natuurwetenschappers nu stilaan ontdekken. Er zijn ook scheppenVU-MAGAZINE - JANUAR11987

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

VU-Magazine | 485 Pagina's

VU Magazine 1987 - pagina 32

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

VU-Magazine | 485 Pagina's