VU Magazine 1987 - pagina 284
Keuning rond 1917 als onderwijzer op de gereformeerde lagere school van Uithulzermeeden (achteraan, links van het midden). Naast hem, aanzijn rechterhand, Ekko Ubbens (Okke)
Cléo de Mérode, de Franse balletdanseres aan wie Willem Keuning zijn pseudoniem ontleende: masker en ontmaskering tegelijk Meester Keuning rond 1915 met twee jonge vrienden gefotografeerd: 'Toen kwamen er op de muloschool aardige grootere jongens'
Uit de slotregels van dit gedicht. Waanzin getiteld, worden zowel De Mérode's onduldbare lichamelijke verlangens duidelijk als het feit dat hij wist wat hem wachtte zodra hij daaraan zou toegeven. Voorlopig vond hij nog een uitweg in de mystiek. Die bood hem de mogelijkheid om de tot dan toe voor hem onontwarbaar geworden kluwen van het erotische en het religieuze te laten versmelten tot één geheel. Het leverde verzen op die op het eerste gezicht een sterk godsdienstige inslag vertonen, maar die in wezen vaak niet anders bleken te zijn dan (homo-)erotische ontboezemingen. Ik heb alleenlijk dit begeerd, Dat ik, na alle lust en leed, In vlekkeloos en blinkend kleed Mocht gaan, van u geëerd. Het sterke verlangen een eind te maken aan alle onrust in zijn ziel is eveneens een steeds weerkerend element in de mystieke gedichten die met name in de bundel Gestalten en stemmingen zijn samengebracht, alsook de diepe eenzaamheid waarin de man die zich niet mocht laten gaan noch zich volledig uitspreken, zich gedompeld wist. Want: Is er een nood, die meerder nijpen kan Dan deze: In liefdes lusthof zijn een eenzaam man En een bevreesde?
E
n het ging mis. Sommigen in het dorp hadden al zo'n vermoeden, lachten om zijn overvloedig gebruik van reukwaters, laakten zijn grijze sokken als zijnde onbehoorlijk en maakten hem achter zijn rug om uit voor 'wiefke-kerel'. De Mérode was bovendien volledig op de hoogte van wat er gaande was in de wereld van de homofilie. Hij las de homobladen die hij zich per post liet toezenden en had al in een vroeg stadium contact me{ jhr.mr.dr. JA. Schoren, VU-MAGAZINE - JULI/AUGUSTUS 1987
w
m
vermaard verdediger van vervolgde homofielen die, op grond van de in 1911 van kracht geworden strafbaarstelling van homosexuele contacten met minderjarigen (artikel 248-bis van het Wetboek van Strafrecht), met justitie in aanraking waren gekomen, en oprichter van het daartegen agerende Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee. Na vertrek van Jaap en Okke uit het dorp knoopt De Mérode vriendschap aan met drie andere jongens van rond de zestien, Jaap, Joop en Joop, die hij, vanwege de verwarrende naamgeving, omdoopt tot Jaap-2, Jopie-1 en Jopie2. Jopie-1 verleidt hem tot de sexuele daad die 'de vaas aan scherven stootte'. "Toen kon ik 't niet meer uithou-
Toen kon ik 't niet meer uitliouden, Toch altijd al zenuwachtig, was 't na nnijn ziekte erger geworden. En • 't ging nnis.' 19
i
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's