VU Magazine 1987 - pagina 320
is om het zo te zeggen pragmatisch geworden. Lyotard hanteert in dat verband het begrip performativiteit: wetenschap behoort het prestatievermogen, de output, de efficiency van de maatschappelijke systemen te verhogen. Aan de Nederlandse universiteiten is dat de laatste jaren bij bezuinigingsrondes ook uitdrukkelijk als criterium gehanteerd: die studierichtingen en vormen van wetenschapsbeoefening met de minste bijdrage tot herstel van de economie moeten het het hardst ontgelden. Daarnaast is de universiteit zelf ook een maatschappelijk systeem geworden dat in het teken staat van de performativiteit: een goede onderzoeker is iemand met een hoge output, iemand die veel publiceert en vaak door anderen wordt geciteerd.
E
en kritiek - een 'postmoderne' kritiek zo men wil - op deze ontwikkelingen, kan er geen genoegen mee nemen het slechte heden met een goed verleden te confronteren; dat verleden verdient immers helemaal niet zoveel waardering. Zo'n kritiek gaat juist nog een paar stappen verder en duwt het moderne, 'performatieve' weten naar zijn eigen grenzen, confronteert het met zijn eigen tegenspraak en onmogelijkheid; naar het punt namelijk, waar het streven naar steeds volmaaktere kennis zijn absurde karakter prijsgeeft, naar het punt waar verbetering van efficiency en beheersbaarheid alleen nog leidt tot een toename van chaos, onzekerheid en willekeur.
hun objectiviteit maar in hun ongewilde humor." Wat hij daarmee bedoelt laat zich wellicht illustreren aan de hand van de politieke opiniepeilingen. Hoevelen hebben niet ooit dat sardonische plezier beleefd wanneer bleek dat de onderzoekers met hun voorspellende uitslag grandioos miskleunen? Met de staart tussen de benen zien we de opiniepeiler afdruipen, in stilte mokkend over het koppige kiezersvolk dat zo brutaal is zijn afspraken niet na te komen. Voor velen is dat wellicht de voornaamste functie van de peilingen: ze zorgen voor wat spektakel op de buis. Zo'n houding van de ondervraagden toont misschien het beste de absurditeit van al die onderzoekingen: de onderzochte objecten misleiden de onderzoeker, nemen wel geamuseerd kennis van de resultaten maar vatten die niet erg serieus op. Dat is waarschijnlijk een houding die wijder verbreid is dan de onderzoeker lief is. De meeste mensen houden er immers niet van om hun gedrag, hun toekomst, vastgelegd te zien in statistische waarschijnlijkheden. Zelfs al zou je een ernstige ziekte krijgen met slechts een overlevingskans van twee procent, dan nog zou je er heilig van overtuigd zijn dat uitgerekend jij overleeft. Met name ook in die gevallen waar we de toekomst niet in eigen hand hebben, geloven
we liever in het lot uit de loterij, in het uitverkoren-zijn, in de onverwachte wending, dan in de deprimerende quasi-zekerheden die de wetenschap ons levert.
M
aar misschien zijn de zekerheden van de wetenschap zelf óók illusies. Dat zou je kunnen opmaken uit het commentaar van de Groningse postmodernist Gerrit Krol bij een illustratie in zijn boek Helmholtz 'paradijs. Op de tekening zie je drie mannen lopen en je zou zweren dat de voorste man de langste en de achterste de kleinste is. Bij nameting blijken ze echter even groot. Van de spoorrails waarop de mannen lopen weten we absoluut zeker dat ze evenwijdig zijn. Maar in werkelijkheid lopen de spoorstaven naar elkaar toe. De conclusie kan zijn dat niet de lengte van de mannen de illusie vormt maar de omgeving waarin zij zich voortbewegen; en wanneer die omgeving er niet was zouden wij ons zelf niet voor de gek houden over hun lengte. In dialoogvorm stelt Krol de vraag: "Zou het daarom niet zo zijn dat de illusie van het ene waarin wij niet geloven, voortkomt uit de illusie van het andere waarin wij wel geloven?" "Absoluut", luidt het antwoord van zijn gesprekspartner. Hoe moeilijk waarheid en illusie soms van elkaar te scheiden zijn, kan op nog
In sommige takken van wetenschap rukt een dergelijk besef steeds sterker op; ondanks de extreme precisie van de meetapparatuur slaagt bijvoorbeeld de atoomfysica er niet in om de exacte baan van atomaire deeltjes te voorspellen. Anders dan het traditionele beeld dat de materie passief en gemakkelijk manipuleerbaar is, lijken de deeltjes zelfs actieve weerstand te bieden aan de pogingen om hen in het keurslijf van de wetenschappelijke kennismodellen te dwingen. Er zou aangetoond zijn dat atomaire deeltjes tijdens de metingen informatie aan elkaar doorgeven; ze zetten als het ware snelle geheime diensten op, waarmee ze het analyseapparaat tarten. Baudrillard stelt op grond hiervan, dat de materie een kwaadaardig genie bezit waarmee elke poging haar dienstbaar te maken wordt verijdeld. Iets dergelijks geldt voor de enquêtes en opiniepeilingen. Baudrillard: "De grootsheid van de statistieken ligt niet in VU-MAGAZINE - SEPTEMBER 1987
11
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's