VU Magazine 1987 - pagina 202
L J 1 ^ ^ H B J ^ J ^ p
om het speelveld in tegengestelde richting wijst: het meebeleven van een wedstrijd leidt niet tot een catharsis, maar biedt kennelijk eerder een extra impuls voor agressieve emoties. Een andere theorie heeft succes als uitgangspunt. Toeschouwers, en zéker supporters van een bepaalde club, identificeren zich met 'hun' team. Het zou kunnen verklaren waarom groepen toeschouwers met een in maatschappelijk opzicht 'lage dunk' van zichzelf, zich bij uitstek aangetrokken voelen tot 'sterkere' voetbalclubs. Het succes van een winnend team straalt uit naar de supporter, maakt hem overmoedig en biedt mogelijkheden om agressie als gevolg van sociale frustraties te ontladen. Maar ook bij nederlagen van de favoriete club biedt deze theorie een verklaring. Verlies van 'hun' team genereert bij fanatieke toeschouwers nieuwe frustraties die aanleiding kunnen zijn om een gewelddadige uitweg te zoeken voor de opgelopen kwaadheid en teleurstelling. Dat laatste hoeft bij een nederlaag van de favoriete club overigens niet het geval te zijn. Proefondervindelijk is vastgesteld dat zelfs de meest felle supporters van een bepaald team een aantal 'cognitieve trucs' tot hun beschikking hebben die een maximalisatie van de positieve effecten mogelijk maakt. Bij winst van de club overheerst het 'wij-gevoel': "wij hebben gewonnen!" Lijdt de eigen club echter een gevoelige nederlaag dan hebben opeens alleen zij- dat wil zeggen: de spelers van het team • verloren
S
panning, wedijver en drama lijken de voornaamste ingrediënten die het volgen van een wedstrijd voor de (voetbai)liefhebber zo aantrekkelijk maken. De aangenaam prikkelende gevoelens die daarvan het gevolg zijn, krijgen nog een extra stimulans wanneer men een wedstrijd niet thuis voor de buis, maar ter plekke, in het stadion, en samen met anderen meemaakt. V\/at maakt dat iemand, bij z'n volle verstand, tijdens een wedstrijd waarbij het uitverkoren team op winst staat, op een volgepakte tribune samen met gelijkgestemden en voorzien van toeter, clubdas en een rare pet, dingen doet.
Hielden schermutselingen in het verleden altijd nog wel een min of meer rechtstreeks verband met het wedstrijdverloop, in de jaren tachtig kwam het publieksgeweld daarvan steeds losser te staan. zegt, schreeuwt, die hij, in z'n eentje of alleen op straat, zelfs niet in z'n hoofd zou halen? Op dat punt biedt de 'deindividuatie-theoue' uitkomst. Opgenomen in de massa laat het individu gemakkelijker de bewuste controle varen die, normaal gesproken, het doen en denken beheerst. Men geeft daardoor snelier toe aan impulsen van opwinding en emotie. Sommige aanhangers van deze theorie gaan er vanuit dat het volgen van sportwedstrijden een welkome uitlaatklep vormt voor het uiten van allerlei gevoelens die in het alledaags maatschappelijk le-
24
Handtekeningen en paardevijgen 1957. Half maart. Zondagmiddag en twintig minuten voor het einde van de wedstrijd. Omringd door een handjevol knaapjes, bedelend om binnen te mogen, staat een jongetje van een jaar of tien voor de hoge grijsmetalen poort van het ADO-terrein in het Zuiderpark. De meesttijds onverbiddelijke suppoost, in zijn afgedragen uniform met pet, kent hem wel - dat joch staat daar bij iedere thuiswedstrijd van de Haagse eredivisieclüb. Een enkele keer laat hij hem binnen, maar nooit zonder tegenprestatie. Genietend van zijn macht als Petrus bij de poort beslist hij: "Hé joh, daar staat een bezem; als jij nou even die paardevijgen bij mekaar veegt mag je d' r in!" Blozend en met kloppend hart doet de jongen wat er van hem gevraagd wordt, jaloers nagekeken door de anderen. Hij heeft haast. Binnen, op het kortgehouden gras dat door de hoge, volgepakte tribunes aan het gezicht onttrokken is, weet hij zijn favorieten aan het werk. En dat zijn dit keer niet de spelers van de thuisclub maar die van het Utrechtse DOS. Terwijl hij de uitwerpselen van de poiitiepaarden op een hoop veegt en in een afvalemmer schept, voelt hij haast lijfelijk de klam-hete druk van de spanning rond het speelveld. Het staat 2-2. En aan de toejuichingen te horen kan er ieder moment nóg een doelpunt vallen. Als de jongen klaar is met het karwei aarzelt hij even. Hij wéét dat hij op zondag niet naar voetballen mag. En wéér is hij met een smoes het huis ontvlucht, het schoolschrift en de balpen voor de handtekeningen na de wedstrijd • veilig en onopvallend onder zijn windjack gestoken. Maar andermaal winnen euforie en opwinding het van zijn schuldgevoelens. Eenmaal binnen, opgenomen in de benauwde en lawaaierige atmosfeer van het stampvolle stadion, dringt hij zich, ter hoogte van de kleedkamers, naar de rand van het veld. Daar zijn z'n idolen: Tonny van der Linden, de gazelle-achtig bewegende midvoor van het Utrechtse team; ook l-ians Kraay is erbij, de foeilelijke maar robuuste en onvermoeibare stopperspil van DOS; en, onder de lat, Frans de Munci<, 'de zwarte panter' en, als doelverdediger van het Nederlands elftal, zijn grootste held. Met de zweterige handen aan het slechts anderhalve meter hoge hek volgt de jongen met glanzende ogen de eindfase van de wedstrijd. Kort voor tijd sprint Carol Schuurman naar voren, de bal als gekleefd aan zijn voet. Drie, vier DOS-verdedigers passeert hij schijnbaar moeiteloos. Dan haalt hij uit met rechts en schiet de bal als een flitsende bruine kogel in de uiterste linkerbovenhoek van het DOS-doel. Het net bolt op onder de explosieve kracht van de bal, nog vóór de zwarte panter vergeefs naar de doelpaal duikt en verslagen voor zijn doel ligt. Het is 3-2 voor ADO, de thuisclub. Een oorverdovend gejuich, geloei en gefluit. Mannen gooien hun petten in de lucht. Het hele stadion staat op z'n kop. Het jongetje juicht mee - dat hoort als rechtgeaarde Hagenaar - maar wél een beetje als een boer met kiespijn vanwege de afgang van De Munck, zijn eigenlijke held en grote voorbeeld. Nog geen twee minuten later fluit de scheidsrechter voor het einde. Met bezwete koppen lopen de 22 hoofdrolspelers vlak langs de jongen heen, op weg naar kleedkamer, warme douche en schone kleren. Intussen verlaat het publiek gedisciplineerd en in uitgelaten stemming de tribunes, druk napratend over de fijne voetbalmiddag. Zij zijn op weg naar moeder de vrouw en een vreedzaam kopje thee. Niets lijkt onwezenlijker dan een verlaten voetbalstadion, een halt uur na de wedstrijd. De tribunes liggen bezaaid met de met mosterd besmeurde papieren zakjes van 'De Worstenkoning' en blauwbedrukte wikkels van de 'koetjesrepen', waarnaar de plotseling opstekende wind succesvolle uitvallen doet. Meeuwen cirkelen boven het speelveld - nu hun domein
VU-MAGAZINE~MEi1987
- en storten zich krijsend op de wormen die eindelijk durven kruipen uit de moddervette kluiten die over de grasmat verspreid liggen. De jongen kijkt naar het agressieve schouwspel met een afwezige blik. Als enige lijkt hij in het stadion achtergebleven. Hij drentelt wat rond de kantine, het 'spelershonk', waar, achter gesloten deuren, het overwinningsfeest zo te horen uitbundig wordt gevierd door een select gezelschap van ADObestuurders en -ingewijden. Gespannen en nerveus wacht het jongetje op de dingen die nu elk moment kunnen gaan komen. Als de deuren van de kleedkamers even later opengaan, komen eerst de ADO-speiers naar buiten; niet echt als overwinnaars, eerder wat slungelig en onwennig met hun natte, strak gekamde haren en hun zondagse pak. Ook zij kennen de jongen. Hij krijgt een aai over z'n bol van Carol Schuurman ("Mooie goal, meneer Schuurmanl") en een bemoedigend kneepje in zijn wang van keeper Piet Oostrum ("Zo, weer op handtekeningenjacht?"). Maar daar komen de DOS-spelers... De jongen schiet naar voren, pen en schrift uitnodigend in de hand. Hij hoeft niks te vragen. Heen en weer rennend werkt hij ze één voor één af. En hij krijgt zijn handtekeningen, allemaal, van De Munck, op speciaal verzoek, zelfs twee ("Eén voor m'n vriendje, ziet ui"). Zelfs reservespelers en trainer zetten met een gul gebaar hun krabbel. Bewonderend opkijkend naar zijn weinig spraakzame favorieten, loopt hij met ze mee tot aan de spelersbus. Dan zet hij het op een rennnen, dwars door het stille Zuiderpark, naar huis, om niet te laat te komen voor de avondboterham, 's Avonds, in de beslotenheid van zijn jongenskamer, is hij druk doende om de handtekeningen uit te knippen en ze vervolgens - tong half uit de mond - met giuton in zijn plakboek te plakken. 1987. Half maart. Het jongetje is grijs geworden en een man. Van voetballen wordt hij allang niet warm of koud meer. ADO heet nu FC Den Haag, DOS is FC Utrecht geworden. En ze spelen tegen elkaar, in datzelfde Haagse Zuiderpark. Ditmaal heeft hij een kaartje en is hij ruim vóór de wedstrijd aanwezig. Een indrukwekkende politiemacht is op de been, inclusief de onvermijdelijke ME-busjes. En paarden zijn er ook weer. Vluchtig wordt hij bij de poort gefouilleerd. Dan voelt hij zich voortgestuwd door een menigte van schreeuwende, lallende, opgeschoten jongelui. De clubkleuren schetteren hem groen en geel voor de ogen. De Worstenkoning is er ook nog. Maar kort na aanvang van de wedstrijd vliegen de gestolen rookworsten al door de lucht, over het hoofd van de vijandige keeper, richting speelveld. Vuurwerk knalt, rollen toiletpapier slierten over het gras. Een rookbom beneemt secondenlang het zicht op het spel. Op de tribune raken wat supporters onderling slaags. Er valt weinig te beleven vanmiddag, nu de 'Bunnikside-supporters' van FC Utrecht niet zijn komen opdagen. De spoorwegen hebben geweigerd ze te vervoeren, omdat de gemeente Den Haag op voorhand weigerde ze te ontvangen. Op de tribunes van FC-Utrecht zit die gevreesde groep supporters nu naar beeldschermen te kijken, waarop, speciaal voor de gelegenheid, de wedstrijd rechtstreeks is te volgen. Halverwege de tweede helft houdt hij de wedstrijd voor gezien. Hinkstap springend om de paardevijgen te ontwijken, verlaat hij het terrein. Uiteindelijk zou het wéér 3-2 voor de thuisclub worden, verneemt hij later bij Studio Sport. In het Journaal van acht uur spreekt een politiewoordvoerder van een wedstrijd zonder noemenswaardige ongeregeldheden. Alles went. Diezelfde avond vindt het jongetje van weleer op zolder bij toeval wat hij al die tijd dacht kwijt te zijn: een inmiddels sterk vergeeld, half vergaan voelbalplakboek vol foto's en handtekeningen. D
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's