VU Magazine 1987 - pagina 146
prijsgeven, toen de meerderheid van zowel de Tweede als de Eerste Kamer bij de Grondwetswijziging de voorkeur gaf aan de naar antirevolutionaire opvatting 'individualistische kiesrechteisen van de moderne tijd'. Uit electorale overwegingen restte de ARP hierop weinig anders dan zich in elk geval bij het aktief vrouwenkiesrecht neer te leggen. De partij kon zich bij de komende verkiezingen van 1922 een stemmenverlies van naar verhouding vijftig procent moeilijk permitteren, omdat vrouwen uit andere (en zeker de linkse!) partijen wèl zouden stemmen.
vrouw op de antirevolutionaire verkiezingslijsten geplaatst zou worden. Bezwaren tegen het vrouwenkiesrecht leefden er niet alleen onder het partij kader van de ARP en - in mindere mate - de CHU, maar ook onder een groot deel van de vrouwelijke achterban van beide partijen. Dit bleek bij voorbeeld uit een in 1917 bij de Tweede Kamer ingediende petitie, ondertekend door meer dan 43.000 vrouwen. Zij waren ervan overtuigd dat het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in strijd was met haar christelijke roeping: Het gezinsleven en heel het volk zouden er schade van ondervinden. Vermoedelijk leefden deze De ARP maakte dankbaar gebruik van de bezwaren sterker bij antirevolutionaire mogelijkheid ten aanzien van het passief dan bij christelijk-historische vrouwen. vrouwenkiesrecht zelf een standpunt te In de ARP lag veel meer dan in de CHU bepalen. In 1920 stelde de partij een spe- de nadruk op bijbelse principes, terwijl ciale onderzoekcommissie in onder lei- in de CHU het persoonlijke geweten ding van A. W.F. Idenburg, die de menin- meer vooropstond. gen in de partij inventariseerde. Er was een groot aantal antirevolutionairen dat et is opmerkelijk dat deze behet passief vrouwenkiesrecht volstrekt zwaren in het geheel niet leefafwees, op grond van het onderscheid dat den bij een kleine groep voorin de Bijbel tussen man en vrouw ge- aanstaande antirevolutionaire en christemaakt werd. Daarnaast waren er ook als lijk-historische vrouwen. Zij waren bij voorbeeld de theoloog prof.dr. Her- voornamelijk te vinden in het hoofdman Bavinck die een gematigd positieve bestuur van de in 1919 opgerichte A'ehouding innamen. Maar ook voor hen derlandsche Christen Vrouwenbond stond als een paal boven water dat de (NCVB) en in de redactie van het vrouARP alleen in uitzonderlijke gevallen een wenblad Christelijk Vrouwenleven, opgevrouw kandidaat zou kunnen stellen. In richt in 1916. Deze vrouwen waren eens1921 werd het vraagstuk op een daartoe gezind van mening dat met de komst van speciaal belegde 'Deputatenvergadering' het vrouwenkiesrecht de consequenties besproken. De partij besloot het inmid- daarvan aanvaard moesten worden. In de dels uitgebrachte advies van de Commis- woorden van de antirevolutionaire domisie-Idenburg na te volgen: bij verkiezing neesvrouw A.M. Lindeboom-de Jong van Raden en Staten behoorden door de (1875-1947): "Nu we het kiesrecht hebARP géén vrouwen kandidaat te worden ben gekregen is ons dus het recht van gesteld. In de praktijk betekende dit bemeespreken vrijwillig gegeven, eigenlijk sluit, dat (tot aan 1953) geen enkele enigszins opgedrongen en we hebben dit
H
VU-MAGAZINE - APRIL 1987
zij het noodgedwongen aanvaard. En daarom is spreken nu voor ons een eisch geworden". Zij was niet de enige antirevolutionaire vrouw wier mening afweek van het officiële partijstandpunt. Ook mevrouw A.C. Diepenhorst-de Gaay Fortman (1880-1958), de echtgenote van de VU-hoogleraar in de rechten P.A. Diepenhorst, dacht er zo over, evenals Gesina van der Molen (1892-1978), de latere hoogleraar Volkenrecht aan de VU. Zelfs Henriëtte Kuyper (18661933), dochter van Abraham Kuyper, liet merken kritisch te staan tegenover het ARP-standpunt. Deze kritische houding, zowel als de eensgezindheid onder de leidende christelijke-historische en antirevolutionaire vrouwen kwam voor een groot deel voort uit de gezamenlijke ervaringen van de vrouwen bij de totstandkoming van een protestants-christelijke vrouwenbeweging. Vanaf de eeuwwisseling werd de opkomst en het succes van de moderne vrouwenbeweging door enkele protestants-christelijke vrouwen, of 'christenvrouwen' zoals zij zichzelf noemden, met argusogen gevolgd. Eén van hen was de (voormalige) dienstbode en schrijfster Johanna Breevoort (1869-1942). Zij vond dat de christenvrouwen zich niet bij de 'feministische organisaties' konden aansluiten, omdat zij zich daarmee onder
V.l.n.r.: Henriëtte Kuyper: 'Niet iedere antirevolutionaire vrouw zal instemmen met het partijbesluit.' Mevrouw A.A. van Hoogstraten-Schoch: in 1923 in Zeister gemeenteraad. Mr. Frida Katz: carrière binnen de CHU.
Uit electorale overwegingen restte de ARP weinig anders dan zich bij het aktief vrouwenkiesrecht neer te leggen. 13
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's