VU Magazine 1987 - pagina 343
ben niet alleen betrekking op toneel. Bijvoorbeeld de zaak Postema. Mag een presentator van informatieve programma's meewerken aan een reclamespot voor de Postbank? Schoenmakers blijkt er een uitgesproken oordeel over te hebben: "Zo iemand maakt misbruik van het feit dat hij in programma's optreedt die heel duidelijk een werkelijkheidskarakter nastreven, wanneer hij optreedt in een duidelijk theatraal programma dat alleen maar commerciële doeleinden nastreeft. Een STER-spotje is per definitie theatraal en reclamemakers doen er dus van alles aan om die spotjes zo min mogelijk theatraal, en daarmee zo betrouwbaar mogelijk te laten lijken. Postema neemt zijn betrouwbaarheid van elders mee en gebruikt die in een theatrale situatie. Dat is moreel onjuist."
The Philanderer door Maatschappij Discordia: 'Acteurs die nauwelijks uit hun woorden komen en amper verstaanbaar zijn, terwijl ze in de ogen van een bepaalde groep mensen toch soms een topvoorstelling leveren.' Foto Bert Nienhuis
om in de receptie een evenwicht te bereiken." De bevindingen van het publieksonderzoek zouden volgens Schoenmakers ook cultuurpolitieke consequenties moeten hebben. "De cultuurpolitiek wordt bepaald door deskundigen, die te weinig beseffen dat hun oordeel afhankelijk is van hun referentiekader. Ze kijken teveel door hun eigen ogen en vragen zich niet af wat er in de verschillende publieksgroepen aan de hand is. Je kunt je afvragen of er aan het margetheater in de buurthuizen niet veel meer aandacht zou moeten worden besteed. Misschien dat
'Het feit datje een dissertatie hebt geschreven is onvoldoende reden om een grote mond op te zetten en uit m te maken of iets een goede voorsteling is of niet.' wat er op de planken gebeurt in onze ogen niet schokkend of nieuw is, maar wel in de ogen van het publiek waarvoor opgetreden wordt. Misschien dat die buurttheatertjes wel een veel essentiëlere functie hebben dan op dit moment wordt onderkend."
H
oe komt het nu dat de buitenwacht zo weinig weet heeft van de bevindingen van de theaterwetenschap? Leiden theaterwetenschappers soms aan plankenkoorts? Als we de 34
media bekijken zien we tegenwoordig dat economen, juristen, historici en andere wetenschappers regelmatig actuele kwesties aangrijpen om hun deskundigheid eens tentoon te spreiden. Theaterwetenschappers echter niet. "De theaterwetenschap is in de eerste plaats gebaat bij een betere ontwikkeling van de wetenschappelijke activiteiten zelf," zegt Schoenmakers. "Daar heb ik op het moment mijn handen al aan vol. En ik vind trouwens dat het feit dat je een dissertatie hebt geschreven niet voldoende reden is om een grote mond op te zetten en uit te maken of iets een goede voorsteling is of niet." Volgens Schoenmakers is het ook uiterst lastig om wetenschappelijke uitspraken over de kwaliteit van een voorstelling te doen. "Het is bijvoorbeeld heel moeilijk om te zeggen dat een bepaalde acteur slecht is. Als je naar Maatschappij Discordia kijkt, zie je dat de acteurs vaak nauwelijks uit hun woorden komen en amper verstaanbaar zijn, terwijl ze in de ogen van een bepaalde groep mensen toch soms een topvoorstelling leveren. Als je het met de muziek vergelijkt, dan kun je zeggen dat het onmogelijk is dat iemand piano speelt op een manier die vergelijkbaar is met de manier waarop Discordia toneel speelt. Acteurs hebben ook een tijdlang bepaalde kunstjes die ze op de toneelschool hadden aangeleerd weer moeten afleren.'' Discussies waar de deskundigheid van theaterwetenschappers aan zou kunnen bijdragen, gaan echter lang niet altijd over de kwaliteit van voorstellingen. Er zijn ook principiële kwesties en die heb-
H
ogendoorn is in het grijze verleden wel zo nu en dan polemisch naar buiten getreden. In 1973 kraakte hij in Toneel Theatraal een voorstelling die gebaseerd was op een marxistische Oedipusinterpretatie. Zou hij nu geen waardevolle bijdragen kunnen leveren aan discussies over voorstellingen? Als voorbeeld noemen we de recente, geruchtmakende opvoering van De kersentuin van Tsjechow, in de regie van Frans Strijaards. Als tragedie liet Strijaards van het stuk weinig heel. "Maar hij heeft het stuk niet belachelijk gemaakt," vindt Hogendoorn, "terwijl ik wel heel veel gelachen heb. Het is typisch regisseurstoneel. Naar aanleiding van de tekst doet de regisseur een mededeling, waarbij hij vaak met opzet tegen de traditie in gaat. In dit geval om het belachelijke van de personages te laten zien. Tsjechow had oog voor het komische van mensen, maar als je het stuk straight speelt verdwijnt die komische kant vaak. In de Tsjechowtraditie overheerst de traan de lach en Strijaards heeft dat helemaal omgedraaid. Dat is op zichzelf niet erg, maar het is verontrustend voor de burgerij, waartoe ik ook behoor. Die kennen hun klassieken, gaan daarheen en zeggen; maar dat is mijn Tsjechow niet! En dat is het ook niet. Het is de regisseur naar aanleiding van Tsjechow." En tot besluit van zijn verdediging van Strijaards Kersentuin geeft Hogendoorn volmondig toe: "De theaterwetenschap zou inderdaad iets meer aan de weg moeten timmeren." D Johan de Koning is neerlandicus, Rob van der Zalm is theaterwetenschapper; beiden zijn werkzaam als journalist.
VU-MAGAZINE - SEPTEMBER 1987
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
VU-Magazine | 485 Pagina's