Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1987 - pagina 337

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1987 - pagina 337

6 minuten leestijd

D

e onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 en in 1961 van Nieuw-Guinea veroorzaakten een periode van schijnbare rust, zo niet desinteresse in de studie van Nederlands verleden in de Oost. De problemen van de dag waren op dat moment te groot. Een groot deel van de bevolking dacht met verwarring en grote zorg aan het recente verleden en de nabije toekomst. Wat moest Nederland zonder zijn koloniën en wat moest er worden van de Indonesiërs die achterbleven? Vooral in de jaren zestig werden anderen zich ervan bewust dat Nederland niet uitsluitend een edele rol had gespeeld in Azië. Termen als 'koloniaal imperialisme' werden nu gebruikt, tot schrik van de mensen die het plaatje van LP. Coen altijd zorgvuldig hadden opgepoetst. Pas in de jaren zeventig scheen de studie van Nederlands koloniaal verleden weer in rustiger vaarwater te komen. Een jonge generatie studenten, geboren na het Nederlandse koloniale tijdperk, betrad de universiteiten en overzag wat er de laatste decennia in de luwte van alle discussies en emoties aan bruikbaar werk

Termen als 'koloniaal imperialisme' werden nu gebruikt, tot schrik van de mensen die het plaatje van J.P. Coen altijd zorgvuldig hadden opgepoetst. was gepubliceerd. Daarop is de afgelopen tien jaar voortgebouwd en dat heeft tot een groot aantal nuttige studies geleid. Het zicht op de aard van het Nederlands verleden in Indonesië is er al met al wat helderder door geworden. Er is met name veel gedaan om de technische ontwikkelingen, die de grootscheepse vaart op Azië en het handhaven van de macht daar mogelijk maakten, nauwkeurig in kaart te brengen. Verder is veel bekend geworden over de wijze waarop de Nederlanders, maar ook de Engelsen en de kleinere koloniale machten in Azië, omgingen met de zogenaamde inlandse vorsten en met de bevolking die ze in de verschillende landen aantroffen. Er was zoals bekend een groot verschil tussen de manier waarop men de Japanners, die kans zagen de orde in eigen land te handhaven en de Nederlanders hun regels op te leggen, moest benaderen en de wijze waar28

op de Molukkers gedwongen werden het Nederlandse kruidnagelmonopolie te accepteren. Samenwerking tussen Europese en uit ontwikkelingslanden afkomstige historici heeft hier vruchten afgeworpen. Hetzelfde geldt voor de kennis die steeds meer historici tegenwoordig opdoen van de antropologie, alvorens zij zich storten op de geschiedenis van 'vreemde volken'; in de voormalige koloniale geschiedschrijving werd de inlandse cultuur en identiteit wel eens met èrg weinig begrip benaderd. Mede door de spectaculaire vondst van enkele oude VOC-schepen is bovendien meer duidelijkheid gekomen omtrent de ladingen en het leven aan boord van de grote schepen die maanden onder weg waren om de verbinding tussen Nederland en Azië in stand te houden.

dat zij de daaropvolgende jaren niet vrijgesteld zouden zijn voor dit werk, maar dat zij naast hun wetenschappelijke arbeid andere taken op zich zouden moeten nemen binnen de universiteiten waar zij werken. Gekozen moest daarom worden tussen twee opties. Men kon het grote werk vertraagd laten uitkomen en daardoor voldoende tijd nemen om zowel de kwantitatieve gegevens te verzamelen als een analyse van de gevonden gegevens te maken. Een tweede, minder bevredigende, oplossing was het zo snel mogelijk doorploegen van de oude archiefstukken, het nauwkeurig noteren van alle gegevens en deze statistische gegevens sec uitgeven. Uiteindelijk werd een compromis gevonden.

B

egin jaren tachtig verschenen twee boeken met statistische gegevens. Zij betroffen vooral een exact overzicht van alle schepen die uitvoeren in opdracht van de VOC. Genoteerd werd onder andere om welk model schip het ging, hoeveel mensen aan boord waren, wat hun tonctie was. Voorts wanneer het schip vertrok, wanneer het waar aankwam en, voor zover daar in de archieven melding van wordt gemaakt, welke vreemde voorvallen (aanvallen, schipbreuk en oorlog) zich onderweg voordeden en, tenslotte, wanneer het terugkeerde. Het derde deel, officieel het eerste deel in deze reeks van drie, is nu uitgekomen. Daarin is de analyse van het cijfermateriaal opgenomen en het resultaat is het adembenemende handboek waarop iedereen, die zich bezighoudt met geschiedschrijving van Nederlands koloniale tijd, allang zat te wachten. Zoals gezegd bevatten de boeken vooral veel cijfermateriaal. En getallen hebben de vreemde eigenschap dat ze pas gaan leven wanneer men weet waar ze voor staan. Het introductory volume van Dutch Asiatic Shippping (inderdaad, zelfs de Nederlandse geschiedenis wordt tegenwoordig in het engels geschreven) is een bewerking van die cijfers en geeft een schat aan informatie voor wie diep op de materie wil ingaan. Een greep uit Drie geleerden van naam, J.R. Bruijn, de inhoud van dit handboek geeft daarF.S. Gaastra en /. Schöjfer, hebben zich van een indruk. in de tweede helft van de jaren zeventig op deze taak geworpen en in de weten- Allereerst wordt het" kader geschetst schappelijke wereld werd met spanning waarin alles moet worden geplaatst: de op de resultaten van de titanenarbeid ge- organisatie van de VOC. Vervolgens wacht. wordt het bedrijf in Nederland behanHet duurde lang, zoals de auteurs zelf deld. Men moet bedenken dat de VOC in schrijven. Reeds in 1978 werd duidelijk de bijna tweehonderd jaar van haar be-

S

teeds meer behoefte kwam er aan inzicht in het belang van de handel met Azië en de invloed ervan op de Nederlandse economie en de wereldhandel. Wie de stokken van de Verenigde Nederlandse Geoctroyeerde Oostindische Compagnie (VOC) naleest, krijgt wel enig inzicht in de aard van de handel, maar niet in het kwantitatieve aandeel dat deze handel betekende voor het geheel van de Nederlandse commercie. Bovendien is een zeer grondige studie van de rekeningen van de VOC nodig om er achter te komen wat de omvang van de handel van deze compagnie was. Juist aan deze behoefte aan kwantitatieve gegevens kon maar mondjesmaat worden voldaan. Het was onduidelijk wat er zich zoal in het uitgebreide archief van de VOC bevond en op welke manier men daar betrouwbare informatie uit kon halen. In de voorafgaande jaren werden echter stodies gepubliceerd door het Franse echtpaar Pierre en Huguette Chaunu over de Spaanse handel vanuit Servilla met Amerika, en van Mina Ellinger Bang en Knud Korst over de Sont tol. Deze stodies wezen de weg naar een manier waarop ook uit het Nederlandse archief een kwantitatieve geschiedenis van de VOC zou kunnen worden geschreven.

VU-MAGAZINE — SEPTEMBER 1987

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

VU-Magazine | 485 Pagina's

VU Magazine 1987 - pagina 337

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

VU-Magazine | 485 Pagina's