Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1990 - pagina 456

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1990 - pagina 456

4 minuten leestijd

tief hiervoor is de leegzuiging van de Weerribben door de Noordoostpolder. De Weerribben, het Nationaal Park in oprichting in de kop van Overijssel, is een natuurgebied dat op het eerste gezicht weinig te kampen heeft met verdroging. De dagjesmens die zich in de traditionele punter door de talrijke vaarten en sloten begeeft, voelt zich opgenomen in onafzienbare rietvelden en waant zich in een stuk echte natuur. Het gebied bezit ontegenzeglijk een hoge natuurwaarde, iets wat onder

Brandnetel en harig wilgeroosje zouden voor een complete generatie kustbezoekers voortaan standaard duinplanten worden.

De inmiddels zeldzame parnassia (links) die het in de duinen moest afleggen tegen onder andere het harig wilgeroosje (rechts).

meer mag blijken uit de 'pelgrimstochten' van biologen. De Weerribben vertegenwoordigt een van de belangrijkste laagvenen van Europa en de vorming van trilveen kan hier met eigen ogen worden aanschouwd. Het is echter zeer de vraag of je hier moet spreken van echte natuur. De Weerribben in de huidige vorm is het produkt van eeuwenlang ingrijpen van de mens. De romantische kleine huisjes in plaatsjes als Muggenbeet zijn misschien nog het meest tastbare - en ogenschijnlijk onschuldige - bewijs van menselijke aanwezigheid. De huisjes, nu erg in trek als vakantiewoning, werden vroeger bewoond door veenarbeiders. Het was deze groep noeste werkers die de Weerribben hebben gemaakt tot wat het nu is: een door oneindig veel kanaaltjes doorsneden doolhof van rietvelden. In dit drassige laagveengebied werd vroeger turf gewonnen door uitbaggering. De vochtige uitgestoken veenbagger werd uit14

gespreid over uitgespaarde stukken land. Deze legakkers, waarop de turf werd gesneden en gedroogd, zijn de huidige 'ribben'. Daar waar veen was uitgestoken bleven de petgaten over. Zij vormen met elkaar een doolhof aan plassen, sloten en vaarten. Deze waterwegen werden in vroeger tijden gebruikt om de gedroogde turf per boot af te voeren.

P

lannen voor ontginning van de Weerribben ten behoeve van de landbouw zijn er wel geweest, maar het is grotendeels bij plannenmakerij gebleven. De vaarboeren konden de concurrentie met efficiëntere bedrijven niet aan en zij verkochten in de jaren zestig en zeventig hun stukjes grond aan Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. De Weerribben leek hiermee een onbedreigde toekomst als natuurgebied, of verwilderd cultuurgebied, te kunnen inslaan. In de Tweede Wereldoorlog ontstond echter een nieuwe bedreiging voor de Weerribben: de in 1942 drooggevallen Noordoostpolder. Deze polder, die drie meter lager ligt dan het oude land, ontwikkelde een enorme zuigkracht. Grondwater uit de kop van Overijssel vloeide in grote hoeveelheden onder de Zuiderzeedijk door de polder in. Een constante zuigkracht, want de droogmakers van de Noordoostpolder waren natuurlijk niet bereid hun land prijs te geven en het overtollige, aangezogen water werd door gemalen naar het IJsselmeer weggepompt. In een rapport dat verscheen in de tijd dat de Noordoostpolder nog in de ontwerpfase verkeerde, werd reeds gewaarschuwd voor het wegzuigen van water van het oude land. In het toen heersende optimistische klimaat werden dergelijke waarschuwingen niet naar waarde geschat, kan men achteraf eenvoudig concluderen. De natuur- en landbouwgebieden in Noordwest Overijssel kregen na het ontstaan van de polder in de zomerdagen te kampen met ernstige verdrogingsverschijnselen, die zich onder andere uitten in het inkHnken van de bodem. Aanvankelijk dacht men het tij eenvoudig te kunnen keren door met opgepompt water uit het IJsselmeer het verloren grondwater aan te vullen. Met dit IJsselmeerwater bleek

men echter een Paard van Troje binnengehaald te hebben. De kwaliteit van het IJsselmeerwater, in feite voornamelijk afkomstig uit de Rijn, bleek niet goed genoeg voor de unieke plantengroei in de Weerribben en aangrenzende gebieden. Onderzoekers van het Rijks Instituut voor Natuurbeheer ontdekten dat met het inlaatwater zware metalen en een overvloed aan fosfaten en kalk het gebied infiltreerden. Het 'harde' (kalkrijke) en fosfaatrijke water zette een proces van interne overbemesting {eutrofiëring) op gang, met als gevolg afbraak van het veen en het verdwijnen van de karakteristieke begroeiing van krabbescheer.

T

egenwoordig wordt het vieze, gebiedsvreemde water zo lang mogelijk geweerd en probeert men in ieder geval te voorkomen dat dit water diep het gebied indringt. Men kan dit bereiken door de inlaat van IJsselmeerwater in de zomerperiode zo lang mogelijk uit te stellen. Daarnaast wordt het doolhofachtige patroon van de Weerribben gekoesterd en waar nodig versterkt. Zo bereikt inlaatwater in ieder geval de meest afgelegen en meest ongerepte delen van het natuurgebied zo min mogelijk. Ongerept is daarbij een oneigenlijke term. Als men de natuur zijn gang liet gaan zou de Weerribben door verlanding dichtgroeien. In de na-

VU-MAGAZINE—DECEMBER 1990

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1990 - pagina 456

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990

VU-Magazine | 484 Pagina's