VU Magazine 1990 - pagina 331
verschillende wijzen waarop architecten een probleem interpreteren en hun vakkennis er op loslaten. Die kennis bestaat niet alleen uit feitenkennis - de draagkracht van een betonnen vloer bijvoorbeeld, of de minimale hoeveelheid licht die een mens nodig heeft bij administratieve werkzaamheden - maar ook uit procedurele kennis inzichten in het hoe en waarom van een bepaalde werkwijze - die onder invloed van ervaring en routine, per architect aanmerkelijk kan verschillen. Esthetische smaakverschillen, waarover anders dan het spreekwoord wil - wel degelijk valt te twisten, doen in dit verband de rest. Met de technische, esthetische en gedragswetenschappelijke aspecten die in het ontwerpen aan de orde komen, lijkt architectuur een multi-disciplinair vak bij uitstek. Dat zou het althans moeten zijn. Maar met name de gedragswetenschappelijke kant blijkt, zeker in de opleiding tot architect, sterk onderbedeeld, vindt omgevingspsycholoog Hamel. Hij spreekt uit ervaring. Ooit begonnen aan een studie bouwkunde te Delft, verliet hij na luttele jaren die opleiding vanwege zijn niet geringe teleurstelling omtrent dit manco. "Ik ging naar Delft omdat ik architect wilde worden. Dat sloot mooi aan, dacht ik toen, bij mijn kunstzinnige, technische en sociale belangstelling van dat moment. Maar al gauw merkte ik dat het technische en het esthetische in de opleiding ruimschoots aan bod kwamen, maar dat ik voor de gedragswetenschappelijke kant van het ontwerpen tevergeefs bij mijn docenten aanklopte. 'Architectuurpsychologie en dat soort flauwe kul, daar doen wij hier niet aan', kreeg ik dan te horen. Maar intussen kon ik met mijn ontwerpopdrachten - hoe eenvoudig die ook waren - niet uit de voeten. Ik vond het gevaarlijk architectonische beslissingen te nemen, waarvan ik de gedragswetenschappelijke consequenties niet kon overzien. En om nou steeds mezelf als maatstaf
te nemen, zoals me geadviseerd werd, leek me op den duur toch wel wat arrogant. Zo wilde ik geen architect worden. Ik ben gestopt, psychologie gaan studeren en uiteindelijk hier terecht gekomen: in de vakgroep omgevingspsychologie aan de Universiteit van Amsterdam."
G
een wonder dat het geringe gebruik dat architecten maken van relevant gedragswetenschappelijke onderzoek - met name dat van omgevingspsychologen en -sociologen tot de veel gehoorde klachten behoort. Helemaal terecht vindt Ronald Hamel dat nu ook weer niet. "Er zijn wel degelijk architecten die nauw samenwerken met gedragswetenschappers", zegt hij. "En er zijn architecten genoeg die klagen over gebrek aan communicatie in dat opzicht. Wat dat betreft zijn gedragswetenschappers ook niet altijd even helder en toegankelijk in hun informa-
Enkele eerste krabbels van architecten die door Ronald Hamel aan het werk w/erden gezet. Zij kregen een gefingeerde opdracht voor het ontwerpen van een 'jeugdvoorziening' op een bestaande lokatle In Eindhoven. Hardop denkend leverden ze Hamel stof voor zijn onderzoek. Het ontwerpproces, zo blijkt daaruit, Is geen willekeurige opeenvolging van activiteiten, maar volgt herkenbare, vaste patronen.
'Architecten hebben soms alleen wat moeite om wetenschappelijke informatie op dit punt op te sporen, te begrijpen en te verwerken.' tie-overdracht, bijvoorbeeld waar het de praktische aanbevelingen uit hun onderzoek betreft." Er is bovendien in de tussenliggende jaren wel het een en ander veranderd in de opleiding tot
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's