VU Magazine 1990 - pagina 82
hele mis en alom werd er door priesters geklaagd over stedelingen die van de ene kerk naar de andere renden om overal het moment van de 'elevatio' mee te maken. Het aanschouwen van de hostie, de 'ogencommunie', ging gelden als een vervanging van de communie zelf.
V
het wel voor dat vereringsvormen die al eerder in de reliekencultus voorkwamen, geactualiseerd worden in de devotie rondom de eucharistie. De verering van relieken - geheiligde voorwerpen die in aanraking zijn geweest met Christus of zijn heiligen - komt al heel vroeg in de geschie-
Veel van deze gebouwen groeiden in de loop van de tijd uit tot kerken. In de vroege middeleeuwen ontstond de omgekeerde gewoonte: niet langer werden er kerken gebouwd waar relieken waren, maar werden de relieken naar de kerken gebracht. De kerstening van Europa in de karolingische tijd bracht met zich mee
erering van de hostie was vooral verering van de werkelijk aanwezige Christus. Berengarius komt dan ook de eer toe de katalysator van deze avondmaalsdevotie te zijn geweest. Toen zijn standpunten eenmaal bestreden waren en de rechtzinnige leer in het dogma van de transsubstantiatie was vastgelegd, was de weg vrij voor een vorm van devotie die volgens Snoek wijder verspreid is geweest dan welke andere devotievorm ook. Deze avondmaalsdevotie heeft vanaf de twaalfde eeuw onder meer een werkelijk ontelbaar aantal wonderverhalen rondom de hostie doen ontstaan. Hosties bleken te kunnen bloeden, ze gaven hcht, ze bedierven soms jarenlang niet, ze hadden een genezende werking, ze bleken vuurbestendig en ze konden zelfs gebruikt worden om vuur te verdrijven. Foto ABC
Een van de bekendste Nederlandse wonderen in dit genre heeft zich in 1345 in Amsterdam afgespeeld. Een ernstig zieke had thuis de communie ontvangen, maar werd onpasselijk en moest braken. Het braaksel werd in het vuur geworpen, maar de hostie bleef ongedeerd. Op de plaats van dit mirakel werd een kapel gebouwd en nog elk jaar in de maand maart wordt er ter herdenking een 'stille omgang' gehouden. De hostie krijgt in deze tijd de mirakelkracht die gedurende de hele middeleeuwen ook aan relieken is toegeschreven. Dit is een van de verbanden tussen eucharistie en reliekverering die Snoek in zijn proefschrift in kaart probeert te brengen. Behalve deze overeenkomst in mirakelkracht onderscheidt hij nog twee andere verbanden. Allereerst komt het voor dat relieken en de hostie op een zelfde manier gebruikt worden. Dat gebeurt tot in de dertiende eeuw. Rond deze tijd wordt de hostie echter zo hoog vereerd dat het als oneerbiedig beschouwd wordt de hostie als 'gewoon reliek' te gebruiken. Vanaf de dertiende eeuw komt 36
denis van de kerk voor. Aanvankelijk waren het vooral de stoffelijke resten van martelaren die vereerd werden. De sterfdag van de martelaar werd beschouwd als de geboortedag van zijn eeuwig leven. Terwijl de andere doden tot de jongste dag moesten wachten voordat zij het paradijs zouden zien, verbleven de martelaren al meteen na hun dood in de aanwezigheid van God. Het was dus aanlokkelijk hun hulp in te roepen als er een bijzondere gunst van God afgebeden moest worden. Relieken fungeerden in de tijd van het vroege christendom vooral als een tastbare herinnering aan de aanwezigheid van de martelaren rond Gods troon. Al gauw werden aan relieken ook bijzondere krachten toegekend.
T
oen het christelijk geloof een zekere vrijheid kreeg om zich te manifesteren, werden er vaak kleine gebouwtjes met altaren rondom martelaarsgraven gebouwd.
dat her en der nieuwe kerken en kloosters werden gesticht. Al deze kerken en kloosters waren geïnteresseerd in relieken. Met deze relieken verwierven zij aanzien. Bovendien konden relieken ook economische winst opleveren: genezing zoekende pelgrims betekenden voor veel kerken en kloosters een niet onbelangrijke bron van inkomsten. In dezelfde tijd ontstond de gewoonte om een heilige tot patroon van een stad of een streek uit te roepen. Zo'n patroonheilige moest niet alleen bescherming bieden tegen allerlei natuurrampen, maar ook tegen oorlogsgeweld en plundering. Soms trok men er zelfs met de relieken van de patroon op uit om de vijand schrik aan te jagen. En vaak genoeg lukte dat. De vraag naar relieken was dan ook groot, zo groot dat ook aan het gebeente van maagden, asceten en bisschoppen waarde werd toegekend en zelfs aan voorwerpen die op de een of andere manier iets met hen te maVU-MAGAZINE—FEBRUARI 1990
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's