VU Magazine 1990 - pagina 298
Guller nog een eigen kunstvorm te zijn, maar als zodanig komt het op de allerlaatste plaats. In Nederland wordt het chanson tot de kleinkunst gerekend, een voor zichzelf sprekend begrip, geïntroduceerd door Wim lbo.
I
s het schrijven en vertolken van chansons wel een kunst? Charles Trenet, die naast Georges Brassens als één van de grondleggers van het hedendaagse chanson wordt beschouwd, verdiende volgens menig
tie was dat men m drie coupletten en een refrein, waarvan de essentie tijdens de voordracht - dus in één keer - moest overkomen, nauwelijks iets wezenlijks kan vastleggen. Anekdotisch is een lied van Francois Béranger. Hij voert de spanning op, maar kapt plotseling af met de woorden: "De drie minuten zijn voorbij; wanneer ik nog langer blijf zingen, wordt dit Hedje niet meer op de radio gedraaid". Behalve de beperkingen ten aanzien van de tekst en de tijdsduur, is men ook wat be-
vergelijking met de andere kunsten inderdaad in artistiek opzicht zeer beperkte mogelijkheden. Dit verklaart ook waarom veel chansonniers en chansonnières vroeg of laat andere artistieke wegen inslaan. Jacques Brei beproefde jarenlang zijn geluk op het toneel en in de film. Léo Ferré en Gilbert Bécaud hebben gelonkt naar de klassieke muziek. Claude Nougaro, Marcel Mouloudji en Georges Moustaki wierpen zich op de schilderkunst. Overigens heeft de betrekkelijke eenvoud van het chanson het voordeel dat men een breed publiek bereikt. Grote Franse dichters als Arthur Rimbaud, Paul Verlaine, Louis Aragon, Jacques Prévert en Paul Eluard hebben hun populariteit bij veel Fransen mede te danken aan het feit dat hun poëzie werd getoonzet en vertolkt door bekende chansonniers en chansonnières. Wel of geen kunst? Los van deze vraag is het van groter belang na te gaan, wat het chanson precies is. Nederlanders die in Frankrijk hun hart willen ophalen aan het chanson ontdekken al spoedig dat er sprake is van een forse begripsverwarring. In de Nederlandse taal slaat het woord chanson op een bepaald soort muziek, dat veelal wordt geïdentificeerd met het repertoire van Georges Brassens, Guy Béart, Jean Ferrat en Yves Duteil. Ernst van Altena heeft hiervoor het woord luisterlied bedacht. Daarmee valt het accent op de tekst waardoor men de muziek ten onrechte als minder belangrijk of in elk geval niet wezenlijk beschouwt. In het Nederlands wordt een vertolker van chansons een chansonnier genoemd. Niet zelden beschouwt men dan iemand, die zelf de tekst en muziek van zijn liedjes schrijft, als een 'échte chansonnier'.
I
lid van de Académie Francaise geen plaats in dit roemruchte college, omdat het chanson niets met kunst te maken had. Ook Jacques Brei, die twaalf jaar na zijn overlijden nog altijd één van de bekendste chansonniers is, beschouwde het chanson niet als kunstvorm. Zijn argumenta32
treft de muziek nogal gebonden. Deze mag nooit te gecompliceerd zijn. Zeker in Frankrijk had het lied een sociale functie; men moest het kunnen meezingen. Zelfs wanneer men het maken en zingen van chansons als een vorm van kunst beschouwt, heeft het in
n de Franse taal slaat het woord chanson - letterlijk 'hed(je)' niet op één bepaald genre. 'Une autre chanson' is de titel van een Belgisch tijdschrift over het chanson. Men kan eruit opmaken dat de Nederlandse betekenis van het woord chanson bijna tegenover de Franse betekenis wordt geplaatst. Indien men in Frankrijk repertoire van jonge chansonniers en chansonnières wil kopen, moet men vragen naar la bonne chanson. Daarnaast VU-MAGAZlNE—JULI/AUGUSTUS 1990
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's