VU Magazine 1990 - pagina 347
•Si*
ft**
- maar dat is misschien ook wat teveel gevraagd van zoiets serieus als een proefschrift. Vooral het eerste deel van zijn boek is desondanks het lezen waard. Daarin behandelt hij de verhalen in Genesis, en die zijn van zichzelf al zo boeiend dat het knap zou zijn om daarover saai te schrijven. Dicou doet dat dan ook niet: hij laat de structuur van de verhalen zien en licht de 'themawoorden' eruit. Zo maakt hij de lezers wegwijs in de verhalen en verhoogt hij hun leesplezier, ongeveer zoals Alter en Kermode vinden dat literaire kritiek op de bijbel dat moet doen. Dicou laat zien dat de structuur van een groot deel van de verhalen over Jakob en Esau chiastisch (of: concentrisch) is. Het centrum van de verhalen is Jakobs verblijf buiten het land Kanaan, bij zijn oom Laban. Daaromheen zijn de andere verhalen gegroepeerd, met van ieder verhaal in het eerste deel, een spiegelbeeld in het tweede deel. Het verband tussen de verhalen is de zich ontwikkelende relatie tussen Jakob en Esau. In de eerste helft van de verhalen
ontfutselt Jakob eerst broer Esau het eerstgeboorterecht en vervolgens vader Isaak de zegen. Hij moet vluchten, naar Laban, om aan de woede van Esau te ontkomen. In de tweede helft van de verhalen wordt de relatie hersteld: Jakob keert terug naar Kanaan en de broers verzoenen zich. De relatie tussen Jakob en Esau is er al voor hun geboorte een van strijd. De twee "stoten tegen elkander" in de moederschoot. Hun moeder Rebekka krijgt van God te horen dat dit een voorbode is van wat komen gaat: "Twee volken zijn VU-MAGAZINE—SEPTEMBER 1990
-''-—
in uw schoot, en twee natiën zullen zich scheiden uit uw lichaam; de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienstbaar zijn." De rollen zijn dus van meet af aan verdeeld: Esau is de eerstgeborene, maar Jakob heeft kennelijk Gods sympathie.
V
oorspelbaar wordt het verhaal daardoor echter allerminst. Esau lijkt inderdaad een 'boerenpummel' te zijn. Hij verruilt zijn eerstgeboorterecht voor een bord linzensoep, omdat hij honger heeft. "Hij at en dronk, stond op en ging heen," luidt het droge, maar vernietigende commentaar van de bijbelauteur. "Zo verachtte Esau het eerstgeboorterecht." Jakob wordt echter evenmin al te gunstig afgeschilderd. Hij bedriegt zijn vader Isaak om hem de zegen te ontlokken die voor Esau bedoeld was. Hij is nog niet eens slim genoeg om zelf te bedenken hoe hij dat moet aanpakken: zijn moeder Rebekka zegt hem wat te doen. Als Esau het bedrog van Jakob ontdekt en in woede ontsteekt, weet Jakob niets anders te doen dan te vluchten. Het is de omgekeerde wereld. Al voor Jakobs geboorte is voorspeld dat Esau hem zal dienen. Deze rangorde wordt tweemaal bevestigd: Jakob weet het eerstgeboorterecht te verwerven en ook Isaaks zegen, waarin nogmaals wordt uitgesproken dat Jakob de heersende zal zijn. Al met al ligt de zaak vooralsnog andersom: het is Jakob die moet vluchten. En als hij jaren later terugkeert, is hij het die zich welhaast in het stof wentelt om Esau gunstig te stemmen - "hij boog zich zevenmaal ter aarde, totdat hij bij zijn broeder gekomen was" ~ terwijl er voor Esau een grootmoedige rol is weggelegd: "Esau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij weenden." Shakespeare had het kunnen bedenken. Esau wordt gezien als de stamvader van het volk Edom. Dicou laat zien dat dit volk in Genesis een bijzondere plaats krijgt toebedeeld. Het hele bijbelboek staat in het teken van de 'verwekkingen', schrijft Dicou. "De aandacht is eerst gericht op de mensen in het algemeen en op het ontstaan van de volken, en vervolgens op de 'verwekkingen' die leiden tot
het ontstaan van het volk waaraan God een speciale opdracht en een speciale belofte geeft: Israël."
E
dom is het laatste volk waarvan de 'verwekking' wordt beschreven alvorens de aandacht definitief uitgaat naar Israël. Het is bovendien het volk met de nauwste verwantschap met Israël: het is immers voortgekomen uit de tweelingbroer van Israels stamvader Jakob. Edom gaat de geschiedenis in als de "tegenover Israël optredende representant van de volken", zoals Dicou het noemt. Van broederlijke betrekkingen tussen Israël en Edom is in de profetieen van Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Obadja weinig meer te merken. Over Edom worden de donkerste onheilsprofetieën uitgesproken. Toch denkt Dicou dat deze profetieen dezelfde theologische achtergrond hebben. Het gaat volgens hem niet zozeer om Edom als zodanig, het gaat ook hier om Edom als de vertegenwoordiger van de andere volken. Dicou laat zien dat er zelfs opvallende parallellen bestaan tussen de inhoud van de profetieën en die van Genesis. In Genesis wordt Israël een gezegend nageslacht beloofd, een groot volk dat zal wonen in het land Kanaan. De profetieën voorspellen Israël een zelfde toekomst na de Babylonische ballingschap. Het motief van de baUingschap speelt ook in de verhalen over Jakob en Esau een rol. Jakob ging immers in baUingschap om aan de wraak van Esau te ontkomen. Delen van de vijf boeken van Mozes vertonen een 'exihsche thematiek', schrijft Dicou, een thematiek die van belang is voor een volk in ballingschap. Er wordt dan ook wel beweerd dat delen van deze boeken in de tijd van de ballingschap zijn geschreven, in tijd niet ver verwijderd van de profetieën. Dicou gaat daar verder niet op in. Hij houdt zich in zijn proefschrift met literatuur bezig, niet met geschiedenis. D
Bert Dicou, Jakob en Esau, Israël en Edom. Israël tegenover de volken in de verhalen over Jakob en Esau in Genesis en in de grote profetieën over Edom. Uitgeverij Publivorm, Voorburg 1990.
37
Bert Dicou: Het hele bijbelboek Genesis staat in het teken van de 'verwekkingen'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's