VU Magazine 1990 - pagina 81
van substantie is geen sprake. Brood en wijn worden tijdens de avondmaalsviering slechts tekenen van lichaam en bloed van Christus. Berengarius delfde het onderspit in het dispuut dat bekend is geworden als de 'tweede avondmaalsstrijd'. De kerkelijke hiërarchie dwong hem tot twee keer toe zijn standpunt te her-
'Eucharistie en reliekverering in de middeleeuwen' heet het en het bevat een stroom aan verhalen die niet alleen een beeld geven van wat het avondmaal voor theologen en priesters betekende, maar ook van de plaats die het innam in de volksvroomheid van de middeleeuwen. Een oude man kon maar niet geloven in de werkelijke aanwezigheid van Jezus Christus in het avondmaal, zo luidt een van de klassieke verhalen die in de loop van de middeleeuwen telkens weer doorverteld werden. Op zekere dag zag hij echter met eigen ogen hoe tijdens de mis een engel het Jezusknaapje slachtte. Tot zijn verbijstering kreeg de grijsaard in bloed gedrenkt vlees te eten. Dat zag er pas weer uit als brood en wijn toen hij zijn geloof in de aanwezigheid van Christus in het avondmaal had beleden.
I roepen en te verklaren dat wat de priester tijdens het avondmaal in handen heeft en wat de gelovige met zijn tanden vermaalt, het vlees en bloed van Christus zijn. Berengarius overleed recht in de leer, maar nog jaren later hebben theologen zich gebogen over de spitsvondige vragen die hij had opgeworpen. Kunnen brood en wijn, eenmaal veranderd in vlees en bloed, bederven en door ongedierte aangevreten worden? Wat eet de muis?
S
tandpunten van theologen en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders in de disputen over de transsubstantiatie zijn in alle kerkhistorische handboeken te vinden. Wie echter iets te weten wil komen van wat het gelovige volk ervan dacht, kan beter het proefschrift ter hand nemen waarop de historicus G.J.C. Snoek eind november promoveerde aan de Vrije Universiteit. VU-MAGAZINE—FEBRUARI 1990
n verhalen als deze komt een devotie tot uitdrukking die slechts heel in de verte herinnert aan de oorsprong van het avondmaal. Snoek beschrijft in zijn proefschrift de ontwikkeling die culmineerde in de transsubstantiatieleer, een ontwikkeling van een "handeling met het brood en de wijn naar de betoning van eerbied voor het brood en de wijn". In de vroeg-christelijke kerk werd het avondmaal gevierd als een gemeenschappelijke maaltijd. De oorsprong van het avondmaal ligt dan ook volgens de evangelies van Marcus, Mattheus en Lucas in het joodse paasmaal. Tijdens het paasmaal breekt Jezus het brood en laat hij de wijn rondgaan, met de woorden: "Neemt, eet, dit is mijn lichaam", en: "Dit is het bloed van mijn verbond". Volgens Lucas voegt hij daaraan toe: "Doet dit tot mijn gedachtenis." Al vrij snel verschoof het gemeenschappelijke van de maaltijd naar de achtergrond en verzelfstandigde de viering van het avondmaal zich. Steeds meer werden brood en wijn genuttigd als individueel ritueel voedsel dat ertoe diende de gelovige in contact te brengen met Christus en zijn kerk. Langzamerhand kregen brood en wijn een magische kracht toebedeeld. Ze werden thuis bewaard, op reis meegenomen en zelfs meebegraven om de gelovige te beschermen tegen allerhande dreiging.
D
e viering van het avondmaal in het kader van de mis raakte elke verwijzing naar een maaltijd kwijt. Het avondmaal werd een soort passiespel, een allegorie waarin Jezus' lijden en dood werden nagespeeld. Vooral in de karolingische tijd won de allegorie terrein. De avondmaalstafel deed
De avondmaalstafel deed de gelovigen niet meer denken aan een maaltijd, maar werd tot een graftombe. de gelovigen niet meer denken aan een maaltijd, maar werd tot een graftombe. Het is niet vreemd dat juist in deze tijd Paschasius Radbertus opstond om te pleiten voor de meest letterlijke vereenzelviging van brood en wijn met Jezus' vlees en bloed. De eerbied voor brood en wijn groeide navenant. Het werd volledig aan de priester overgelaten om de gewijde handehngen met brood en wijn te verrichten. De gelovigen kregen de hostie niet meer in de hand, maar op de tong gelegd. Op den duur werden de bij het avondmaal horende gebeden niet meer hardop, maar fluisterend uitgesproken. De priester wendde zich daarbij af van het kerkvolk. "De priester droeg de mis nog wel namens, maar niet meer samen met het volk op", schrijft Snoek. Hoogtepunt in deze ontwikkeling was de opkomst van de zogenaamde 'elevatio' in de loop van de twaalfde eeuw. Met deze 'elevatio' - het met beide handen opheffen van de hostie - beantwoordde de kerk aan een kennelijke behoefte van de gelovigen. Zij waren steeds meer passieve toeschouwers geworden bij het ontzagwekkend gebeuren van het avondmaal. Hun rol was het het lichaam van Christus te vereren en de 'elevatio' hielp hen daarbij. De priester - door de gelovigen op de rug gezien - hield de hostie zo hoog dat de gelovigen het voorwerp van hun verering daadwerkelijk konden zien. De 'elevatio' werd door velen beschouwd als een vervanging van de 35
De lijkwade van Turijn die, naar menigeen beweert, de beeltenis van de gekruisigde Christus zou dragen; dit ondanks het feit dat de wetenschappelijk vastgestelde ouderdom van het materiaal daarmee in tegenspraak is. Foto ANP
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's