VU Magazine 1990 - pagina 241
Het is alweer vijftien jaar geleden dat de heruitgave van de Verkade-albums van Jac. P. Thijsse een groot succes werd. Het knippen en plakken van de plaatjes speelde waarschijnlijk in op de behoefte aan nostalgie die de jaren zeventig kenmerkte. En kennelijk had Den UyI's statement óat alles nooit meer zou worden als het geweest was, diepe indruk gemaakt. De inhoud van de albums bevestigde die stelling: veel van wat Thijsse rond 1910 nog als 'natuurlijk gemeengoed' had kunnen omschrijven, was in '75 zeldzaam geworden of zelfs verdwenen. Adviezen als "Haal wat ereprijs uit de natuur, want hij mag in geen enkele wilde tuin ontbreken", moesten in een toegevoegde inleiding tot de facsimile-herdrukken dan ook worden ontkracht; de weinige ereprijs die de Nederlandse flora nog restte, was inmiddels tot beschermd gewas uitgeroepen. De schrijver van de inleiding, een oud-leerling van Thijsse, wond geen doekjes om de oorzaak van de achteruitgang. Gewijzigde landbouwmethoden, de vergiftiging van het oppervlaktewater; hij wist van de hoed en de rand. "Jammer voor natuurliefhebbers", schreef hij echter begripvol. Want "wat zou u doen wanneer u veehouder was?" Tja. Ook in de erop volgende vijftien jaren stond de tijd niet stil. De 'rode lijst' van 1990, een uitgave van de Leidse Hortus Botanicus, geeft cijfers die de versnelde afname van de verscheidenheid in de natuur sindsdien, op niet mis te verstane wijze bevestigen. Van de 1449 hogere plantesoorten (de zogeheten 'vaatplanten') die twee decennia terug nog volop in ons land te vinden waren, zijn er 55 (3,8 procent) sinds 1970 niet meer waargenomen; verdwenen dus. Nog eens 165 soorten (11 procent) worden in hun voortbestaan zeer sterk bedreigd. Sterk bedreigd worden 64 soorten (4,4 procent), terwijl nog eens 147 soorten (10 procent) 'gewoon' bedreigd worden. Handzaam samengevat betekent deze inventarisatie dat in twintig jaar tijd bijna een derde van de Nederlandse flora verdwenen is dan wel acuut bedreigd raakte. En er is geen enkele reden om aan te nemen dat de fauna in ons land er erg veel beter voor staat.
In twintig jaar tijd is bijna een derde van de Nederlandse flora verdwenen dan wel acuut bedreigd geraakt.
N
ajaar 1989 kwam de Natuurbeschermingsraad in het geweer. Als reactie op het Natuurbeleidsplan zoals ontwikkeld in het kabinet Lubbers II, kwam de raad met een advies dat van het ministeriële beleidsvoornemen weinig
18
De schade die de natuur oploopt is grotendeels onomkeerbaar. De zaak wordt steeds eenvormiger; de variatie verdwijnt. Maar het zijn constateringen waaraan menigeen schouderophalend voorbijgaat: nou en? "De natuur is tegelijk substraat en randvoorwaar-
heel liet. De politieke reactie op de grootschalige achteruitgang van de natuur werd in het advies als beslist onvoldoende gekwalificeerd. En gelaakt werd bovendien het grote verschil in aandacht dat de regering blijkens de plannen wenste te maken tussen natuur en milieu. Niet alleen
Prof.dr. L. Vlijm: 'Het verlies aan soorten is een mondiale kwestie. En daarom zo definitief.' Foto Bram de Hollander
de voor het menselijk bestaan", doceert Vlijm. "Maar natuur en milieu worden alleen vanuit de menselijke belangensfeer bekeken. Dat verklaart die plotseling opgekomen hausse aan zogenaamd milieubesef. Ten diepste stoelt die belangstelling op louter economische motieven. Men ruikt gewoon geld. Men denkt: nu kunnen we er een technologie op los laten en worden we er financieel misschien ook nog wijzer van." De intrinsieke waarde van de natuur, los van geldelijk gewin of van welk menselijk belang ook? De meeste mensen hebben er geen oog voor. Dat is de grootste klacht van Bert Vlijm. Men ziet het nut er niet van in. En als het dan om natuurbehoud gaat, halen we plotseling het aloude Godsbeeld weer van stal, aldus Vlijm. "Een beetje gaan zitten bidden of God het alsjeblieft niet wil laten gebeuren. Ja, zó is het niet! God redt het niet als de mens in gebreke blijft." De teruggang in verscheidenheid is bij planten het eenvoudigst vast te stellen, aldus Vlijm: "Die dingen staan stil." Pas sinds een paar jaar is er bijvoorbeeld voor vogels een deugdelijk carteringssysteem in gebruik, dat met behulp van een groot aantal vrijwilligers wordt gehanteerd. Van de andere dieren, met name de grotere, is de achteruitgang steekproefsgewijs ook nog wel vast te stellen. "Maar wat er in bijvoorbeeld de insektenwereld allemaal aan moet geloven, weet niemand", meent Vlijm. "Je kunt er echter van
was er voor de verbetering van het laatste veel meer geld uitgetrokken dan voor het eerste, maar öok de tijd waarbinnen een en ander geklaard diende te zijn, verschilde aanzienlijk. Zoveel was duidelijk, aldus de Natuurbeschermingsraad bij monde van haar voorzitter, H.J.L. Vonhoff: behoud en beheer van de natuur staat aanmerkelijk lager op de politieke prioriteitenladder dan het milieu dat zich tegenwoordig in bijkans ieders warme belangstelling mag verheugen. Het is meten met twee maten, meent ook de vervroegd uitgetreden hoogleraar biologie prof.dr. L. (Bert) Vlijm, die tegenwoordig extra veel tijd steekt in zijn lidmaatschap van de Natuurbeschermingsraad in het algemeen, en in het voorzitterschap van de faunabeschermingscommissie daarvan in het bijzonder. Toegegeven: met het milieu is flink wat mis, aldus Vlijm. En zonder een redelijk schoon milieu kun je de natuur ook wel vergeten. Maar een doortastend milieubeleid is lang niet genoeg, meent hij.
'En dan: wat is natuur nog in dit land?' Foto Bram de Hollander
VU-MAGAZINE—JUNI 1990
^M
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's