VU Magazine 1990 - pagina 118
^ ^ ^ •MiH HAMB
Foto Bram de Hollander
f
25 juni 1790 promoveerde hij aldaar in de geneeskunde. Kort daarop vertrok hij naar Duitsland, waar hij langs talrijke beroemde geleerden reisde en colleges volgde in mineralogie, chemie, fysiologie, anatomie en botanie, In Göttingen maakte hij kennis met een twee jaar jongere even enthousiaste natuurliefhebber, Alexander von Humboldt (1769-1859), die zich zou ontwikkelen tot de meest veelzijdige en belangrijkste Duitse natuuronderzoeker van de vorige eeuw. De beide jongemannen werden spoedig zeer bevriend en maakten samen van september tot november een voettocht door grote delen van Duitsland. Hierna zette Steven Jan de reis alleen voort tot in Leipzig, Dresden, Halle en Jena, overal de universiteiten en de belangrijkste geleerden bezoekend. Teruggekeerd was hij slechts korte tijd arts te Amsterdam toen hij, 23 jaar oud, twee maanden na zijn vader in augustus 1791 te Utrecht hoogleraar werd in de genees-, mens-, kruid- en scheidkunde, In zijn inaugurele rede pleitte hij voor verbeteringen in het botanisch onderwijs. Zonder in details te treden moet vermeld worden dat hij alom als een briljant en zeer veelbelovend geleerde werd beschouwd. Hij trouwde op 27 oktober 1794. Een half jaar later werd hij ziek en op 16 mei 1795 stierf hij, 27 jaar oud, op zijn studeerkamcr. Vijf dagen later namen zijn studenten te De Bilt "met ecne hartroerende statelijkheid het lijk van hunnen Vriend op hunne schouderen, en droegen het in het graf, juist ter plaatse waar zij voorheen wel eens door Hem op botanische wandelingen geleid waren." De volgende maand, op 25 juni, sprak zijn vriend professor Jodocus Heringa in de Pieterskerk voor de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, waarvan Steven Jan voorzitter was geweest, een urenlange gedachtenis-rede uit. Deze werd vooraf gegaan en onderbroken door 'Choorzang, geschikt om aller harten nog meer tot treurigheid te stemmen." Ik citeer een gedeelte uit een 'Duetto'. A. Heeft ons God op nieuw gezegend? Welk een stilte alom in 't rond! B. Neen, een ramp is ons bejegend. Daar uit spruit die rouw in 't rond. A. ó Wat tranen! ó wat klaagen! ó Wat akiig bang geween! B. Deeze traanen, deeze klachten Schreit het Nut van 't Algemeen. A en B. Ach! hoe diep heeft niet de droefheid Aller harten neergedrukt. Een der beste aller menschen Is ons in VAN GEUNS ontrukt. Zeven maanden na zijn te vroege dood werd alsnog een zoontje geboren, Steven Jan Matthijs
van Geuns (1795-1849). Het was deze kleinzoon die bij de 80ste verjaardag van prof. Matthias van Geuns het daarstraks vermelde gedicht voordroeg met de nu voor ons begrijpelijker beginregel: "Vader van mijn dierbren Vader." Hij verwierf op zijn 21ste jaar een gouden medaille van de Utrechtse universiteit. Hij promoveerde in 1823 in de rechten en werd te Utrecht lid van de Gemeenteraad en van Provinciale Staten.
E
r zijn nog enkele personen in het schema die wij tot nu toe niet hebben besproken. Ik vraag daarvoor als besluit uw aandacht. Allereerst noem ik u Jan van Geuns (1764-1834), de oudste zoon van prof. Matthias van Geuns. Hij promoveerde in 1789 te Harderwijk en werd Doopsgezind predikant te Leiden (1789), waar Abraham de Vries een collega van hem was, en van 1814 tot 1830 te Amsterdam. Hij was een geleerd publicist en was lid van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (1808) en van Teylers Godgeleerd Genootschap (1826). Vervolgens vermeld ik een tweede Jan van Geuns, zoon van Steven Jan's jongere broer dr Jacob van Geuns (1769-1832), die medicus en Di-
recteur der Kas-Associatie te Amsterdam was. Deze Jan van Geuns studeerde ook geneeskunde en promoveerde op 17 juni 1833 summa cum laude te Leiden. In 1846 werd hij hoogleraar aan het Athenaeum te Amsterdam. Zijn inaugurele rede was getiteld 'De geneeskunde als eene zelfstandige natuurwetenschap'. Doordat hij in deze geest onder meer de fysiologie en de weefselleer nauw bij het medisch onderwijs en onderzoek wist te betrekken kan hij als grondlegger van het pre-klinische deel van onze medische faculteiten beschouwd worden. Hij werd in 1845 lid van het Koninklijk Instituut en toen dit in 1851 door Thorbecke werd omgezet in de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen werd hij de eerste voorzitter hiervan. Hij bleef dit tot 1855. Hij overleed op 5 december
A
braham de Vries had een één jaar oudere zuster, Christina de Vries (geb. 1772). Zij trouwde op 18 maart 1798 te Amsterdam met de aldaar geboren vriend van haar beide broers, Joan Melchlor Kemper. Deze studeerde rechten aan het Athenaeum en promoveerde in 1796 te Leiden. Na kort in Amsterdam advocaat
te zijn geweest werd hij op 22-jarige leeftijd in 1798 hoogleraar te Harderwijk. Hij was zeer vaderlandslievend en moest niets van de Franse overheersing hebben. In 1806 werd hij hoogleraar te Amsterdam en in 1809 te Leiden, waar hij gezien zijn voortreffelijk optreden tijdens de bezetting bij de omkeer in 1813 direct tot rector magnificus werd gekozen. Hij was toen reeds een nationale figuur die samen met mannen als Van
'Zoo zal er een hutspotrecept worden geformeerd, waaraan ik zelfs mijn hond, dien ik liefheb, niet zou wenschen blootgesteld te zien.' Hogendorp, Van der Duyn en Van Limburg Stirum aan de basis van ons Koninkrijk heeft gestaan. Allerwege heerste in Nederland het gevoelen dat de teruggekeerde Prins van Oranje een meer souvereine functie moest krijgen dan zijn voorvaderen, maar welke instantie kon deze wens verwerkelijken? Hoe is de zoon van Stadhouder Willem V eind-1813 in feite Koning geworden? H. Brugmans beantwoordt deze vraag in deel V van zijn 'Geschiedenis van Amsterdam' alsvolgt: "Dat is in Amsterdam gebeurd en het was het werk van Kemper. Op het beslissende moment heeft deze oude Amsterdamse patriot de leiding uit handen genomen van de oude Rotterdamse Oranjeman Hogendorp. Kemper was op 24 november met Fannius Scholten in Amsterdam gekomen als commissarissen-generaal van het algemeen bestuur in het departement der Zuiderzee. Hij had reeds de aansluiting van Amsterdam bij het algemeen bestuur diezelfde dag tot stand kunnen brengen en zo de komende gebeurtenissen voorbereid. Kemper kon dan ook in Amsterdam zeker op aller instemming rekenen, toen hij op 30 november de komst van de prins aankondigde met deze treffende en vooral ook beslissende woorden: 'Het is geen Willem VI, welken het Nederlandse volk heeft teruggevraagd, zonder te weten, wat het eigenlijk van hem te hopen of te verwachten had. Het is Willem I, die als souverein vorst naar den wensch der Nederlanders onder het volk optreedt, hetwelk eenmaal door een andere Willem I aan de slavernij eener schandelijke buitenlandsche overheersing ontrukt werd. Uwe burgerlijke vrijheid zal door wetten, door eene die vrijheid waarborgende constitutie zekerder dan ooit gegrondvest zijn. De groote gebeurtenis is voleindigd. Nederland is vrij en Willem I souverein vorst van dat vrije Nederland.' Zo wachte Amsterdam op 2 december de prins van Oranje of liever de toekomstige souvereine 29
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's