Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1990 - pagina 66

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1990 - pagina 66

4 minuten leestijd

c/>

zoekt de hoogbegaafde intellectueel naar het 'wezen'. Schopenhauer meende dit 'wezen' te kunnen benoemen. Het principe dat aan de hele menselijke samenleving ten grondslag ligt, is volgens hem de wil. De wil is hetgeen er achter de schaduwen verborgen gaat en wat hun vorm bepaalt. De dominantie van de wil is tegelijkertijd ook de grondslag voor zijn pessimisme. Somber constateert Schopenhauer dat we altijd maar meer willen, tegenover elke vervulde wens staan tien onvervulde. De begeerte is altijd maar van korte duur, wanneer we het zo vurig begeerde object eindelijk bezitten, begrijpen we niet meer waar we ons zo druk om gemaakt hebben. Maar intussen is er al weer iets anders om vurig naar te verlangen. Nooit zijn we tevreden met wat we hebben. En juist die onbeteugelde, egoïstische wil is een permanente bron van onrust, van lijden en ellende. Er bestaat evenwel een ontsnappingsroute om te ontkomen aan de vernietigende klauwen van de wil: de ascese. Bij zijn pleidooi voor een ascetisch leven roept Schopenhauer - een fervent atheïst reminiscenties op aan het meest traditionele christendom. Voor de traditionele gelovige was (is) het leven hier op aarde slechts een voorafje bij datgene wat er na de dood gebeurt. Voor de metafysische filosoof is deze wereld slechts een schijnvertoning, een woelig oppervlak waarachter diepere waarheden verborgen liggen. Wereldverzaking, daar komt het in beide gevallen op aan. «8gES{MJ#l':kaa.ifa':«;'..j3Aië!iHa

"RfMMStCi^

M

aar die wereldverzaking komt je niet zomaar aanwaaien. Dat vergt een bewuste strategie van niet-willen, een actieve bestrijding van je vurigste verlangens, het in de kiem smoren van de zinnelijkste aandriften. Het vasten, de kastijding en de zelfpijniging kunnen daarbij nuttige diensten bewijzen. De wil dient af te sterven en daartoe dient het onwenselijke met gepaste vreugde tegemoet getreden te worden. "Benadeling, smaad, belediging hij neemt het allemaal vrolijk in ontvangst als mogelijkheden om zichzelf de verzekering te kunnen geven dat hij niet langer ja zegt tegen de wil, maar vrolijk partij kiest voor alles wat vijandig is jegens de wilsverschijning die zijn eigen persoon uitmaakt", zo portretteert Schopenhauer zijn voorbeeldige ascetische mens. Het is dit masochisme - deze uitdrukking lijkt hier niet misplaatst - gekoppeld aan de pretentie het pessimisme systematisch te kunnen funderen, wat grote delen van het werk van Schopenhauer zo onverteerbaar maakt. Ruim een eeuw geleden vond Nietzsche dat ook al. Met name in 'Genealogie van de moraal' veegt hij de vloer aan met de man die hij eens als zijn leermeester beschouwde. Die ascetische houding, vindt Nietzsche, getuigt van een geborneerde haat tegen het leven. Nietzsche hield niet zo van metafysica. Voor hem is er geen andere wereld dan die waarin we leven. Waar Schopenhauer zoekt naar het universele, het onvergankelijke en het vergeestelijkte kortom de waarden die in het dagelijks bestaan niet te vinden zijn - daar vindt Nietzsche meer plezier in het tijdelijke, vergankelijke en lichamelijke. Waar Schopenhauer de 'wil tot leven' in al zijn facetten verafschuwt en in zijn ascetische ethiek alvast een voorschotje neemt op de dood, daar acht Nietzsche die levenswil juist bijzonder hoog. De nee-zegger staat tegenover de ja-zegger. Bovendien constateert Nietzsche in het ascetische ideaal een paradox. Hoe is, vraagt hij, zoiets als niet-willen mogelijk? Als er - om een banaal voorbeeld te nemen - op mijn bord een gebraden kip ligt, dien ik te voorkomen dat het water mij in de mond vloeit; met kennelijke tegenzin, alleen met de bedoeling mijzelf het dagelijkse kwantum voedsel toe te dienen, mag ik mijn bord leegeten. Ik mag de kip niet willen. Maar voor dit niet-willen dient elke vezei van mijn lichaam tot het uiterste gespannen te zijn. Vooral niet toegeven aan spontane opwellingen. Het niet-willen is derhalve óók willen, en wel een zeer extreme vorm daarvan; de wilsverlamming vraagt het uiterste van de wilskracht.

A

lleen al om die reden doen de preoccupaties van Schopenhauer heden ten dage nogal onwezenlijk aan. Niet veel mensen zullen zelfpijniging nog willen aanprijzen als een onontbeerlijk opvoedingsmiddel. In de hedonisti-

Schopenhauer laat z'n hondje uit; tekening van Wilhelm Busch

20

VU-MAGAZINE—FEBRUARI 1990

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1990 - pagina 66

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990

VU-Magazine | 484 Pagina's