VU Magazine 1990 - pagina 343
dat suggereert datje een schilderij alleen maar kunt genieten als je 'er iets bij gebruikt'. Van die losse informatiebladen vind ik wel goed, dan kun je zelf kiezen of je dat wilt lezen of niet, maar ik ben tegen gedrukte informatie aan museumwanden. Het gevaar dat de kunstwerken illustraties worden bij het verhaal van het museum, wordt levensgroot. Bij tentoonstellingen hangt het van de opzet af Bij de tentoonstelling over Hollandse fijnschilders werd een vraag aan de orde gesteld: gaat het om de duidingen of enkel om een steeds virtuozer manier van schilderen? Juist doordat het hele mooie schilderijen waren, werd die vraag zo indringend. Het antwoord is natuurlijk: beide in zekere mate. In de universitaire discussie worden die twee kanten enorm tegen elkaar uitgespeeld. Het is absoluut niet de bedoeling dat wij als museum stelling nemen in die wetenschappelijke discussie. We hebben wel de gelegenheid te baat genomen om haar zichtbaar te maken. Een van de aardigste dingen van naar kunst kijken vind ik dat de voorwerpen je, doordat ze mooi zijn, meer dan enig ander object of document bewust maken van geschiedenis. De paradox is dat ze dat juist doen doordat ze de geschiedenis overstijgen. Kunstwerken hebben iets tijdloos en juist daardoor doen ze me allerlei historische vragen stellen. Ik raak altijd geïrriteerd als die twee kanten tegen elkaar worden uitgespeeld, want juist die paradox is het boeiendste van mijn vak. Ik denk datje het publiek de ruimte moet geven om te transcenderen. Vandaar dat ik tegen allerlei teksten VU-MAGAZINE—SEPTEMBER 1990
Prof.dr. H.W. van Os (1938) is sinds 1974 hoogleraar liunst- en cultuurgescliiedenis aan de Rijlisuniversiteit Groningen. Sinds september 1989 is hij directeur van het Rijksmuseum te Amsterdam. Hij promoveerde in 1969 op een dissertatie over enkele iconologische problemen uit de Sienese schilderkunst van 1300-1450. Naast zijn specialisme publiceerde hij onder andere over de Groningse schilderkunst van De Ploeg. Voor de VARA presenteert hij het tv-programma Museumschatten. Interview: Johan de Koning Foto: Peter Mookhoek
ben die die mogelijkheid ontnemen. Maar tegelijkertijd tijd hoop ik toch dat de mogelijkheid geschapen wordt om geschiedenis geïntensiveerd te ervaren.
I
n Nederland hebben we heel erg de behoefte te begrijpen waarom mensen naar musea gaan. Dat zegt vooral veel over ons, wij zoeken een verklaring. In Italië en Amerika gaan mensen in horden naar musea en vindt iedereen dat volstrekt normaal. Niemand vraagt naar een reden. Als er in Nederland heel veel mensen naar de schouwburg gaan, vraagt ook niemand zich iets af. Maar ongelukkigerwijs gaan er nu even niet zo veel mensen naar de schouwburg, en wel naar musea. Ik denk dat het een heel ingewikkeld modieus mechanisme is: als heel veel mensen naar musea gaan, komen er nog meer. Straks gaan ze allemaal weer naar de schouwburg. Dat is een golfbeweging. Maar er is nog wel meer over te zeggen. Ik denk dat de cultuur visueler geworden is. Het is een gemeenplaats, maar de jongere generatie communiceert veel meer in beelden. Kunst is ook een van de
gemakkelijkst toegankelijke cultuurgoederen. Een boek lezen duurt verdomd lang. Je moetje concentreren. Dat dat een rol speelt, zie je momenteel vooral bij een soort belangstelling voor moderne kunst. Dat is gewoon een gegeven. Je kunt snel een mening vormen - ben je voor of tegen het varken van Koons? dat gaat veel sneller dan een boek lezen. Het heeft iets gemakkelijks en de produkten passen zich daar ook een beetje bij aan. Die zijn bewust oppervlakkig. Dus dat is ook een factor. Ik denk dat er een grote behoefte is aan het verwerven van cultuurgoederen en dat beeldende kunst zich daar goed voor leent. Vooral moderne kunst. Het geeft je vrij snel een soort maatschappelijke positie, als je daar iets mee hebt. Of je Rob Scholte leuk vindt of niet, dat is een gemakkelijke discussie. Ik heb daar echter totaal geen last van, moet ik zeggen. Ik vind het heerlijk als mensen veel naar musea gaan en dan is het ver-
gedreven, wat mot dat hier? Dat vind ik echt schandelijk. Want dat weetje gewoon niet. Zelfs al werden ze voortgedreven, dan weetje nog niet wat er toch met hen gebeurt. Een museum is een publieksinstelling en ik ben blij als mensen komen. Het is puur een statement van onmacht als je gaat kankeren op de mensen die je museum bezoeken. Dat is heel zorgelijk. Er zijn natuurlijk regels van het huis. Je hoeft niet de vulgariteit toe te juichen, maar in principe ben ik blij met iedereen die komt. Kunst heeft voor mij niet als categorie iets mystieks of heiligs. Maar als ik iets heel moois zie, krijgt het wel iets sacraals. Jazeker. Die ervaring van: hoe is het mogelijk dat zoiets bestaat, dat iemand dat gemaakt heeft? Dat is wel een stevige ervaring, ja. Het gebeurt niet om de haverklap. Vorige week was ik in het souterrain van het Rijksmuseum, bij de negentiende-eeuwse meubelkunst. Daar komen heel weinig mensen. Er
In Italië en Amerika gaan mensen in horden naar musea en vindt iedereen dat volstrekt normaal' volgens de vraag of wij op een cultureel gezien verstandige manier in hun kijkbehoefte kunnen voorzien.
E
r bestaan in Nederland hele volkstammen die steeds vragen: wat doen al die mensen nou in die musea, wat zien ze eraan, ze worden maar in die bussen voort-
was daar een gesloten interieur van rond 1900 opgesteld. Er hingen twee van die heel introverte Redons in. Dat gaf me zo'n ervaring: fantastisch mooi en het laatje ook zien hoe mensen toen leefden, met de deuren dicht en introverte schilderijen aan de muur. Ik vond het prachtig en tegelijker-' tijd begreep ik iets.
9 33
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's