VU Magazine 1990 - pagina 77
In de laatste - noodlijdende - jaren van haar bestaan, sloot De Nieuwe Linie elke week af met een achterpagina vol poëzie. 'Geloof me, iedereen kan dichten', was de titel van deze rubriek; een positief gestemde versregel waarachter niettemin enige dubbelzinnigheid schuilging. Men kon er een opwekking uit aflezen het ook eens te proberen, maar er voor hetzelfde geld een denigrerende uitleg aan geven: dichten?, geen kunst aan! Welke van de twee betekenissen hier bedoeld was maakte niet eens zoveel uit; het lief-linkse opinieweekblad propageerde de spreiding van alles en nog wat - waaronder het culturele erfgoed - en betoonde zich tegelijkertijd een vinnig tegenstander van elitair gerichte prestatiedrift. Bijgevolg vonden op de achterpagina van de Linie het ontboezemende debuut van de zondagsdichter en het rammelend vertaalde Chileense strijdlied een plaats naast de gepatenteerde verskunst van gewaarmerkte grootheden van de Nederlandstalige poëzie. Cultuurspreiding was het motto dat als zodanig rechtstreeks ontsproten leek aan de progressieve tijdgeest uit het begin van de jaren zeventig. Een heilige taak die werd uitgevoerd met de optimistische opdringerigheid die aan diezelfde tijdgeest eigen was, en die zelfs aan de noodzakelijkheid van de vooropgestelde aanwezigheid van althans enig talent, geen boodschap scheen te hebben. De hoogtijdagen van Poëzie hardop, kortom, en van de poëzie-workshop.
schrijven, dan voor het lezen - laat staan: kopen - van poëzie. Interessant lijkt daarom vooral de pedagogische kant van de zaak. Simpel geformuleerd luidt de vraag: is het schrijven van poëzie een kunstje dat men leren kan, bij voorbeeld uit een boekje, bij Teleac of in een poëzie-workshop'^ Gelukkig niet, luidt het al even simpele antwoord. Poëzie is after all geen macramé. De dichtkunst valt - ondanks of juist dankzij het feit dat zij de meest vrije onder de kunsten is - niet ongelimiteerd te democratiseren. Voor wie dit niet geloven wil, is deze weinig opzienbarende wijsheid nog eens geboekstaafd in het enige verslag dat ooit van zo'n workshop in boekvorm is verschenen. Judith Herzberg (1934), schrijfster van poëzie, toneel en ander literair werk, begeleidde in de jaren zeventig wat werkgroepen van dit slag. Van een daarvan maakte zij aantekeningen in een dagboek; een persoonlijk verslag van het poëtisch wel en wee van de vijftien deelnemers die eens in de twee weken bijeenkwamen om eikaars werk te bespreken. Van dit dagboekje, dat als titel 'Het maken van gedichten en het praten daarover' meekreeg, verscheen onlangs let wel: zo'n vijftien jaar na afloop van de betreffende workshop] - een derde druk.
S
chrijven van poëzie is als het bewerken van een akker die zich uitstrekt in het niemandsland tussen twee onverzoenlijk lijkende uitgangspunten: aan de ene eheel zonder effect bleef al kant lokt de ongebondenheid van die inspanning niet. De een ontvankelijke geest die in staat 'nachten van de poëzie' en is via spontane associatie de kloven andere spektakels waarbij bekende tussen ongerijmdheden taalkundig dichters voordragen uit eigen werk, en gevoelsmatig te dichten, aan de mogen zich sinds die tijd in een andere beperkt het ongenaakbaar overweldigende belangstelling ver- prikkeldraad van eisen inzake vorm, heugen. En ook de workshops wer- structuur en verstaanbaarheid, de den razend populair. Maar spijtig bewegingsvrijheid van de dichter in voor dichters en uitgevers was toch ernstige mate. Wie zich volledig aan wel, dat de kennelijke belangstelling een van deze twee extremen overlevoor poëzie zich vooralsnog wei- vert, zal het als 'hermetisch poëet' gerde uit te drukken in tastbaar be- zonder lezers moeten stellen, dan tere verkoopresultaten. wel, ter andere zijde, het odium van De gemiddelde verkochte oplage 'vormknecht' of 'sonnettenbakker' van dichtbundels stelt nog steeds te- over zich afroepen. leur, tenzij de auteur Nel Benschop Dat poëzie die én herkenbaar én heet. Zondagsdichters zijn er in ons oorspronkelijk wil zijn, altijd aan land echter te over. Een conclusie deze twee maten wordt gemeten, ligt dus voor de hand: er is blijkbaar vindt een bevestiging in de tegenmeer belangstelling voor het strijdige verlangens waarmee Judith
G
VU-MAGAZINE—FEBRUARI 1990
Herzberg zich vanuit haar werkgroepje geconfronteerd ziet: "aan de ene kant analyse, kritiek, en aan de andere kant een grotere losheid, ongeremdheid, het aanboren van nieuwe gebieden." Dat zijn verlangens die met elkaar in strijd zijn, zo vetrouwt zij al na de derde bijeenkomst haar notitiebloc toe, "zozeer zelfs dat ik vaak denk dat de tweede fase van het werken aan een gedicht, de zelf-kritische, op den duur de eerste, die het hebben moet van spontaniteit en van de acceptatie van wat zo maar in je opkomt, gaat dwarsbomen." Hoe groot dat gevaar wel is blijkt, wanneer een deelneemster aan de workshop een gedicht van haar hand door haar teamgenoten geanalyseerd ziet. Verbijsterd blijkt ze over de kennelijke samenhang van beelden die zij naief-intuïtief in het gedicht bijeenbracht. Gevolg is dat Herzberg komt te worstelen met de
'Het is moeilijk duidelijk te maken dat de wanhoop, de ontoereikendheid, eigenlijk met de erkenning meegroeien.' vraag naar het nut van zo'n analyse - "kan ze het nog, als het een bewuste manier van werken wordt?" -, dat de deelneemster in kwestie afhaakt, en dat de rest van de groep moet ploeteren als nooit tevoren om nog iets zinnigs op papier te krijgen.
U
iteindelijk komt de aap uit de mouw: de deelnemers aan Judith Herzbergs workshop willen toch wel erg graag weten hoe zij, erkend dichteres, te werk gaat. Herzberg blijft het antwoord schuldig. Ze weet het jammer genoeg zelf niet, zegt ze tegen de groep. En als ze het wist zou een ander er nog niets aan hebben. Om haar eigen geploeter te bewijzen zegt ze toe een volgende keer de kladjes van één enkel gedicht mee te nemen; Omslagillustratie een kilo papier, naar eigen zeggen. van Jack Prince In haar dagboek schrijft ze nader- voor Judith hand: "De gedachte dat er verschil Herzbergs 'Het maliën van gedichten bestaat tussen 'echte', d.w.z. erken- en het praten de, gepubliceerde, dichters en 'ama- daarover'. 31
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's