VU Magazine 1990 - pagina 142
een beetje een ondergeschoven kindje, zegt Knipscheer. "Er heeft in Nederland tussen 1981 en 1988 een stuurgroep gefunctioneerd die het onderzoek naar oudere mensen moest stimuleren en begeleiden," vertelt hij. "Die heeft allerlei onderzoeksterreinen aanbevolen: er moest onderzoek gedaan worden naar ouderen in het arbeidsproces, de belangenbehartiging van ouderen, hun vrije-tijdsbesteding, de manier waarop ze wonen en noem maar op. Voor de samenhang tussen ouder worden en familieverbanden is echter nooit aandacht gevraagd. Ik heb de stuurgroep daar uitdrukkelijk op gewezen, maar met alle mogelijke argumenten heb ik haar niet kunnen overtuigen van het belang." "Ouder worden is in veel opzichten een familieaangelegenheid", luidde de stelling die Knipscheer als uitgangspunt nam in zijn rede. Op het eerste gezicht lijkt het alsof hij daarmee slechts een open deur intrapt. Maar hoezeer de waarheid van de stelling ook voor de hand lijkt te liggen, de aandacht ervoor is mondjesmaat. Knipscheer kan zich de terughoudendheid, zowel van de gerontologen als van de ouders en kinderen zelf, wel voorstellen. "Voor zover het ouders en kinderen zelf betreft: ik denk dat het gevoel van gêne dat hen verhindert over hun relatie te praten voor een belangrijk deel te maken heeft met onzekerheid. De relatie tussen ouders en kinderen is er een die niet te ontlopen is, die hoe dan ook een deel van je leven uitmaakt. Tegelijkertijd is het niet duidelijk wat ouders en kinderen van elkaar kunnen verwachten. Er zijn geen normen en waarden die de relatie regelen. Het staat niet vast: ik bezoek mijn moeder een paar keer per jaar en als ze ziek is een keer per week en drie keer per jaar neem ik een bosje bloemen mee, en dan heb ik aan mijn verplichtingen voldaan ik noem maar wat banale dingen."
V
roeger stond duidelijker vast hoe relaties tussen ouders en kinderen eruit hoorden te zien, denkt Knipscheer. Bovendien woonden ouders en kinderen vroeger veel vaker dan nu bij elkaar in de buurt en daarom was de relatie ook voor buitenstaanders meer
den, vaak op een nogal primitieve Moeder maalst bed manier. Uit al dat onderzoek is ech- <»? *an haar op l(amers wonende ter in ieder geval gebleken dat er een zoon. intensief contact bestaat tussen ou- Foto Hans Aarsman ders en hun volwassen kinderen. - H H Door de bank genomen is iedereen die zich bezig houdt met onderzoek op dit gebied er absoluut van overtuigd dat het echt een uitzondering is als deze contacten definitief verbroken worden." "Allerlei sociale ontwikkelingen hebben daar weinig toe- of afgedaan. We verhuizen veel vaker dan vroeger en ouders en kinderen wonen daardoor vaak niet meer vlak bij elkaar. Maar we hebben ook veel meer vervoersmiddelen gekregen en veel meer tijd, bijvoorbeeld in het weekend en in vakanties. Het is nu veel makkelijker om even op en neer te gaan tussen Amsterdam en Rotterdam dan vijftig jaar geleden."
zichtbaar. "In je werk, in je buurt, in je vriendenkring is er niets zichtbaar van je relatie met je ouders. Daarom praat je er ook veel minder makkehjk over. Je praat met de ene buurman over de andere, want dat is een relatie waar je beiden zicht op hebt." "Dit soort omstandigheden maakt de relatie tussen ouders en kinderen ook voor sociologen geen makkelijk object van studie," gaat Knipscheer verder. "Familierelaties vormen een terrein waar je niet zomaar binnendringt. Het is daarom zelden mogelijk zulke relaties te observeren; het enige wat je kunt doen is erover praten. En voordat mensen bereid zijn erover te praten, moet je vaak een behoorlijke drempel over. Onderzoek moet dus nogal eens begin-
K
Prof.dr. C.P.M. Knipscheer: relaties tussen ouders en kinderen zijn onontl(oombaar asymmetriscli. Foto Kees Keuch AVC/VU
nen met een aantal open interviews." Onderzoek naar een concreet, beleidsmatig probleem is veel makkelijker aan te pakken. Knipscheer is er echter van overtuigd dat in al dit onderzoek naar beleidskwesties een aantal essentiële zaken aan de aandacht ontsnapt. Zolang er geen goed beeld bestaat van wat ouder worden zelf is, redeneert Knipscheer, is het niet mogelijk allerlei praktische vragen die met het ouder worden te maken hebben bevredigend te be-
antwoorden. Daarom hield hij een paar jaar geleden al een voordracht tijdens een gerontologensymposium onder de titel 'Terug naar de gerontologie', dat wil zeggen: terug naar het onderzoek naar het ouder worden zelf. Onderzoek naar familieverbanden kan veel meer aan het licht brengen over het ouder worden zelf dan onderzoek naar bijvoorbeeld de vrijetijdsbesteding van ouderen. Er is bovendien nog een tweede reden waarom onderzoek naar de relatie tussen VU-MAGAZINE—APRIL 1990
ouders en hun volwassen kinderen van belang is, en dat is het gegeven dat zulke relaties meer dan ooit voorkomen. De 'viergeneratie-famihe' is in Nederland een algemeen verschijnsel geworden, stelt Knipscheer in zijn rede. Van degenen die in 1980 geboren zijn, heeft nu zo'n dertig procent een overgrootmoeder die nog in leven is. Van vijftien procent van de 60- tot 65-jarigen is nog minstens een van beide ouders in leven. De helft van de Nederlanders heeft minstens vijftig jaar van hun leven met hun ouders te maken.
D
eze tijd is in dit opzicht nogal uitzonderlijk, zegt Knipscheer. Tussen 1930 en 1970 zijn er meer mensen getrouwd dan ooit tevoren en kregen veel meer mensen dan vroeger ook kinderen. Na 1970 is het aantal huwelijken gedaald en ook het aantal mensen dat kinderen kreeg. Na het jaar tweeduizend zal dus ook het aantal mensen dat betrokken is in VU-MAGAZINE—APRIL 1990
een ouder-kindrelatie weer dalen. Of het belang van de ouder-kindrelatie daarmee ook zal afnemen, is nog maar de vraag, want volgens door Knipscheer aangehaald onderzoek neemt het belang van andere sociale verbanden af. Het huwelijk bijvoorbeeld heeft een losser en wisselender karakter gekregen en, zegt Knipscheer, "dat heeft de ouder-kindrelatie een relatief stabielere status gegeven." Iets soortgelijks geldt voor het werk. Het stempel dat dat drukt op de levensloop van mensen wordt minder overheersend. Mensen gaan langer naar school, gaan dus later aan het werk en houden ook eerder op met werken. Dit soort ontwikkelingen doet het belang van familierelaties, waaronder die tussen ouders en kinderen, toenemen. "De socioloog Talcott Parsons heeft in de jaren veertig de theorie geformuleerd dat er een structurele scheiding is gegroeid tussen het kerngezin en de oudere generatie. Deze theorie is gedurende tientallen jaren bestre-
nipscheer ontwikkelt in zijn rede een soort typologie voor ouder-kindrelaties, een op dit terrein ongebruikelijke aanpak. De enige typologie die in dit verband wel gebruikt wordt is die van de vroegere grootfamilie aan de ene kant en het moderne kerngezin aan de andere kant, zegt Knipscheer. Met deze typologie kon hij niet goed uit de voeten. Zoiets als een grootfamilie heeft volgens
'DQ pater famüias die binnen de grootf3milie het meeste gez3g h3d, die heeft wel best33n, m33r meer 3ls uitzondering d3n 3ls regel.' hem ook nooit bestaan, althans niet in West-Europa. "Wie het over de grootfamilie heeft, doelt eigenlijk niet op famiheverbanden, maar op huishoudens. Want het was niet alleen de familie die onder een dak woonde, maar het waren ook de knechts, seizoenarbeiders, geadopteerde kinderen enzovoorts. Inderdaad woonden ook ouders en kinderen wel onder dat ene dak, maar dat waren de ongehuwde kinderen. Dat waren er vaak veel, want men huwde op late9
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's