VU Magazine 1990 - pagina 413
Midden in de Tweede Wereldoorlog begon de Nederlandse regering in ballingschap te Londen zich bezig te houden met de berechting van landverraders in het bevrijde Nederland. Op 22 december 1943 stelde zij het Besluit Buitengewoon Strafrecht vast. Daarin activeerde zij de doodstraf die nog sluimerend aanwezig was in het Nederlandse recht; om precies te zijn in het militair strafrecht. Artikel 9 van het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde dat de doodstraf alleen jegens militairen gebruikt mocht worden als de veiligheid van de staat dat eiste. Zij moesten door militaire rechtbanken berecht worden. Dit artikel was echter niet zonder meer in stelling te brengen. De veiligheid van de staat zou immers, als de vijand verslagen was, niet meer in het geding zijn. Daarom maakte de regering in ballingschap het betreffende artikel geschikt voor ruimere toepassing, zodat oorlogsmisdaden, ook van niet-militairen, achteraf met de dood bestraft konden worden. De beperking dat de doodstraf alleen mocht worden toegepast als de staatsveiligheid in het geding was, werd buiten werking gesteld. Niet de militaire rechtbanken zouden competent zijn maar speciaal ingestelde Bijzondere Gerechtshoven, die in tegenstelling tot de eerste voor de meerderheid uit burger-juristen zouden bestaan. De gewone strafrechter werd dus gepasseerd.
De doodstraf is niet nodig voor handhaving van de rechtsorde, vond de regering in 1880. Vijfenzestig jaar later oordeelde de Londense regering daar anders over. Eind 1945 diende het kamerlid Joekes met enkele anderen een motie in waarin de regering verzocht werd de regeling van de doodstraf uit het Besluit Buitengewoon Strafrecht eerst nog te toetsen aan het oordeel van de volksvertegenwoordiging. Maar deze motie werd op 21 december 1945 door de indieners weer ingetrokken. Een latere poging van Joekes en anderen om alle wetsbesluiten van de Londense regering voor te leggen aan het parlement werd door een meerderheid verworpen. Het Nederlandse volk heeft zich tussen 1880 en 1945 weinig met de doodstraf in eigen land bezig gehouden. Al kwam men soms spontaan in ver-
D
zet tegen de doodstraf in andere landen. Een bekend geworden zaak van voor de oorlog was die tegen "de negerjongens van Scottsboro" in de VS.
at de regering het middel van de doodstraf wilde gebruiken, is enigszins verwonderlijk. In 1870 was de doodstraf voor misdaden begaan in vredestijd afgeschaft, Nederland was niet het eerste land: de kleine republiek San Marino ging voorop in 1848 en Portugal volgde in 1867. Maar daar nam het parlement het initiatief. In Nederland was dat de regering. En in 1880 had de toenmalige minister van Justitie Modderman een indrukwekkende rede gehouden om een parlementaire poging de doodstraf opnieuw in te voeren te stuiten. En daarmee was toen het pleit beslecht.
VU-MAGAZINE—NOVEMBER 1990
De doodstraf is niet nodig voor handhaving van de rechtsorde, vond de regering in 1880. Vijfenzestig jaar later oordeelde de Londense regering daar anders over.
Zeven minderjarige zwarten werden begin 1931 in het Zuiden van de Verenigde Staten ervan beschuldigd twee blanke vrouwen te hebben aangerand. Tijdens de rechtszitting trok één van de vrouwen haar beschuldiging in. Zij verklaarde haar oorspronkelijke verklaring onder dwang van de politie te hebben afgelegd. Niettemin werden de zeven ter dood veroordeeld.
15
In België, waar geen actiecomité tegen de doodstraf bestond, werden na de oorlog aanzienlijk meer collaborateurs geëxecuteerd dan in Nederland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's