VU Magazine 1990 - pagina 299
kent men de term chanson a texte, hetgeen min of meer correspondeert met de term luisterlied. In Frankrijk richtte het maandblad 'Paroles et Musique' zich op het chanson. Dit tijdschrift kreeg als ondertitel 'Le mensuel de la chanson vivante'. Deze omschrijving verwijst naar de oudere omschrijving chanson a vivre, dat door iedereen werd (mee)gezongen in tegenstelling tot het chanson a montrer. het op de planken van het toneel vertolkte klassieke lied. De conclusie lijkt ge-
andere zangers gewoon chanteurs genoemd. Optredens van bekende chansonniers en chansonnières worden vermeld onder 'variétés' of 'music-halls' tussen de programma's van het Lido, Pigalle en de Moulin Rouge! Minder bekende vertolkers en vertolksters van het chanson krijgen een plaats onder de kopjes 'cafésthéatres' en 'cabarets'. Het wordt Nederlandse chansonhefhebbers in Frankrijk dus niet gemakkelijk gemaakt. Ongetwijfeld komt dit voor-
gelen in drie lijnen, die men vanaf de Middeleeuwen in de liedkunst kan onderscheiden. Het klassieke lied vindt zijn oorsprong bij de troubadours (11de-14de eeuw) in ZuidFrankrijk en de trouvères (12de13de eeuw) in Noord-Frankrijk, die ons gezamenlijk 4500 liedteksten hebben nagelaten. Veelal schreven ze zelf de muziek en/of de teksten; het woord 'troubadour' is afgeleid van trobat, dat '(uit)vinden' betekent. De eerste troubadours zongen in het Gregoriaans, verphchte taal voor kerkgezangen. Later zongen ze in de langue d'Oc, waarvan het Occitaans is afgeleid dat nog steeds in Zuid-Frankrijk wordt gesproken. De troubadours waren begaafde tekstdichters en componisten van adellijke afkomst. De hedjes van de trouvères, die in de langue d'Oïl zongen, worden als minder poëtisch beschouwd; zij maakten in muzikaal opzicht voor het eerst gebruik van de polyfonie. Vanuit het repertoire van de troubadours en trouvères ontwikkelde zich het chanson savante, de tegenhanger van het chanson populaire. Reeds in de Oudheid werd een onderscheid gemaakt tussen melodie en ritme, gesymbohseerd door Apollo, de god van de schone kunsten en G^^ges Brassens ,
rechtvaardigd dat het chanson dus in wezen géén luisterlied is maar juist een meezinger. Overigens is het redactiebeleid van Paroles et Musique drastisch gewijzigd, toen bleek dat ook in Frankrijk de belangstelhng voor het chanson vivante afnam. Het woord chansonnier leidt in Frankrijk tot nog meer misverstanden. In de Franse taal is een chansonnier meer iemand die wij in het Nederlands een 'cabaretier' zouden noemen. Wie in Parijs derhalve een voorstelling bezoekt van iemand die in Le Monde of in één van de Parijse uitgaansgidsen onder chansonniers wordt vermeld, komt verkeerd terecht. Meestal wordt er door deze chansonniers geen noot gezongen en hun woordspelingen zijn zelfs voor iemand met een gedegen kennis van de Franse taal moeilijk te volgen. Charles Trenet, Jacques Brei, Serge Gainsbourg en Maxime le Forestier worden door Fransen net als alle VU-MAGAZINE-TJUU/AUGUSTUS
1990
al, omdat de Nederlandse betekenis van het woord chanson een vrij scherpe afbakening van andere Hedgenres suggereert, die in werkelijkheid niet bestaat. Daarom is het ook zo moeilijk om het begrip in de Franse taal nauwkeurig te omschrijven.
M
aar ook zonder definitie komen we meer over het wezen van het chanson te weten wanneer we ons op het verleden richten. De bron van het chanson ligt in de late Middeleeuwen en met name rond de dertiende eeuw, toen steden als Parijs en Toulouse tot bloei kwamen; mede door de oprichting van universteiten kreeg de ontwikkeling van wetenschap en cultuur een flinke impuls. De burgerij vormde naast de adel en het volk buiten de steden de derde geleding in de samenleving. Deze driedeling laat zich weerspie-
,
.
T^.
,
, wordt de vader van
de harmome, en Dionysus, de god het hedendaagse van de wijn en het feesten. Dit on- chanson genoemd. derscheid zou ook van toepassing kunnen zijn op het verschil tussen de liedkunst van de troubadours en trouvères enerzijds, en de liedjes van het volk anderzijds. Tegenover de complaintes (de term komt van het latijnse planctus en het Provencaalse
Tot in de jaren zeventig zijn chansons gecensureerd en geweerd van door de overheid gecontroleerde radio- en televisiezenders. planh) - getoonzette epische poëzie met meestal een droefgeestige teneur - worden de rondes - de vrolijke danshedjes van het volk - geplaatst. In hoeverre dit onderscheid ook daadwerkelijk gold, zal nooit achterhaald kunnen worden. In tegenstelling tot de pennevruchten van de 33
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's