VU Magazine 1990 - pagina 329
Het aanzien van Nederland verandert in zeer hoog tempo. Hoewel de woningnood grotendeels overwonnen is, wordt er nog altijd veel gebouwd. Niet alleen op woningbouw maar met name ook op zogeheten utiliteitsbouw leggen architecten en hun opdrachtgevers zich met groeiende gretigheid toe. Schaalvergroting is daarbij het trefwoord. En het uiteindelijke resultaat van al die activiteit wordt steeds vaker bepaald door de projectontwikkelaar. Dat laatste is voor een belangrijk deel een gevolg van het feit dat de consequenties van een 'terugtredende overheid' zich steeds meer doen gevoelen. De investeringslasten zijn hoog. De rol van particuliere opdrachtgevers in de bouw heeft die van de overheid mede daardoor grotendeels verdrongen. "Het architectonisch resultaat van al het investeren en bouwen is afhankelijk van de ontwerpers. Maar of zij hun talenten ten toon kunnen spreiden is afhankelijk van het cultureel elan van de opdrachtgevers." Dat schrijft Ruud Brouwers, die in opdracht van het Nederlands Architectuurinstituut het jaarboek 'Architectuur in Nederland 1989/1990' samenstelde, redigeerde en van een woord vooraf voorzag. Of de toekomstige bewoners en gebruikers bij voorbaat blij moeten zijn met de groeiende almacht van architect, opdrachtgever en projectontwikkelaar, blijft een onbeantwoorde vraag; hun mening wordt - zeker vooraf - immers zelden gepeild.
mentele drijfveer geworden. Deze kritiek heeft kennelijk geen beletsel gevormd om ook nu weer een architectonisch jaarboek uit te brengen dat, net als zijn twee voorgangers, in ronkende bewoordingen en met veel, verbluffend fraaie illustraties, de architectonische hoogtepunten van de achterliggende jaren aan de orde stelt, Halverwege zijn essay last Buch een citaat in van de bekende bouwmeester Rem Koolhaas, waarin deze de mythe rond de architect, als zou hij leven in een wereld vol macht, glitter en glamour, tracht te doorbreken. Een schone schijn, zegt Koolhaas, want "Bijna geen enkele architect durft te wijzen op de gevaren, de vernederingen en absurditeiten van het bouwproces, of uit te leggen wie de baas is in de dag in dag uit te voeren strijd." Het citaat roept de vraag op naar de autonomie van de architect. En dat is een kwestie die centraal staat in het proefschrift van een psycholoog die zelf zo graag architect had willen worden: Ronald Hamel. Hij promoveerde in mei van dit jaar aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar het denken van de architect. Niet alleen het brein van de bouwkundige komt hierin aan bod, maar ook de nogal uiteenlopende bezigheden waarmee deze zijn dagen vult, en vooral de structuur van het ontwerpproces. Hamel zette daartoe een aantal architecten aan het
W
ie - om een andere reden overigens niet blij is met deze ontwikkeling, is de Amerikaanse kenner en bewonderaar van de Nederlandse architectuur Joseph Buch. In genoemd jaarboek laakt hij de teloorgang van de herkenbare stijl die de bouwkunst in ons land zijns inziens decennia lang heeft gekenmerkt. "High-tech zit stevig in het zadel", schrijft hij teleurgesteld. "Deconstructivisme, of wat daarvoor moet doorgaan, zie je overal, in de eerste plaats op studententekentafels. Zelfs het postmodernisme is door de Nederlandse aversie zichzelf aan te prijzen heengebroken". Het resultaat van een en ander is, dat Nederland er steeds on-Hollandser gaat uitzien. En het klakkeloos navolgen van wat bouwkundig elders wordt verricht, is daarbij de grootste boosdoener. Dat is nog niet alies. Buch wijst er en passant nog even op dat als gevolg van de doorzettende tendens tot privatiseren, de commercie steeds meer vingers in de pap van het bouwgebeuren krijgt, en de "marketingmentaliteit" doorslaggevend wordt. De consequentie daarvan is, schrijft hij, dat steeds vaker gebouwen verrijzen "die door hun vorm, kleur en oriëntatie warmte verliezen, terwijl ze het zouden moeten vasthouden; airconditioning en hoogbouw in een land dat geen van beide nodig heeft; bewoners van huizen met platte daken die vijf kilometer moeten rijden om bij hun tuin te komen." Verspilling, aldus Joseph Buch, lijkt de fundaVU-MAGAZINE—SEPTEMBER 1990
Niet het proces zelf is bijzonder, maar het soort problemen dat in de ontwerpfase om een oplossing vraagt. werk en liet ze - hardop denkend, schetsend en krabbelend -een gefingeerde opdracht uitvoeren.
D
e architecten die Ronald Hamel benaderde om aan zijn onderzoek mee te werken, hadden zo hun bedenkingen. Architectonisch ontwerpen, dachten zij, is een autonoom en creatief proces. Dat overkomt je; kwestie van inspiratie, nietwaar? En hoe kan zo'n malle psycholoog die willekeurige opeenvolging van bruikbare en minder bruikbare invallen nou in een theoretisch model willen vangen? Het kan, blijkt' uit Hamei's onderzoek. Anders dan de bouwmeesters zelf menen, gaan zij bij het ontwerpen steevast en vrijwel zonder uitzondering dezelfde gebaande wegen. De specifieke problemen die bij het ontwerpproces aan de orde zijn, en hun manier van denken, dwingen architecten tot het volgen van vaste pa-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's