VU Magazine 1990 - pagina 333
architect. Daarover wil Hamel geen onduidelijkheid laten bestaan. Zowel aan de bouwkundige faculteit in Delft als aan die te Eindhoven zijn nu onder anderen ook psychologen verbonden, die hun inzichten op de studenten overdragen en projecten met ze uitvoeren. En er zijn speciale onderzoeksinstituten die gedragswetenschappelijke aspecten van de gebouwde omgeving als hun werkterrein beschouwen. Doorslaggevender nog dan de aandacht voor de gedragswetenschappelijke kant gedurende de opleiding, is de wijze waarop daarover binnen de architectengemeenschap gedacht wordt, aldus Hamel, Op dat punt speelt echter de enorm hoge werkdruk waaronder architecten doorgaans werken, een negatieve rol, "Alles moet gisteren klaar", zeg hij, "en dan ga je prioriteiten stellen. Je kijkt bijvoorbeeld allereerst naar wat de opdrachtgever het belangrijkste vindt. Of je zet uit commerciële overwegingen de vormgeving op de eerste plaats. En dan schiet het gedragswetenschappelijke aspect er wel eens bij in,"
ners van een object blijvend ongelukkig door ze bijvoorbeeld met een sick-building-syndrome op te schepen, dan krijg je daar zelden op directe wijze last mee,"
E
igenzinnigheid van de architect of dwingelandij van de opdrachtgever? Feit is dat architecten zich in veel gevallen kunnen vrijpleiten op grond van het gegeven dat voor belangrijke bouwkundige projecten veelal prijsvragen worden uitgeschreven. De verantwoordelijkheid voor het uiteindelijk gekozen ontwerp, zo luidt de redenering, ligt in zo'n geval bij de op-
Echt meespelen gaat het gedragswetenschappejke aspect natuurlijk pas, meent Hamel, als er sancties op zouden staan, "Als je constructieve fouten maakt, of zondigt tegen de regelgeving van schoonheidscommissies en dergelijke, dan word je onmiddelijk op het matje geroepen. Het wemelt in dat opzicht van de regels en de voorschriften. Maar maak je de toekomstige bewo-
drachtgever, niet bij de ontwerper. "Tja", aarzelt Hamel. Met enige overdrijving kun je stellen dat de architect voortdurend koorddanst boven een kloof die gaapt tussen, aan de ene kant, volledige autonomie, en de banale huisje-boompje-beestje-idealen van de doorsnee-burger ter andere zijde. Het lijkt haast ondoenlijk daar ergens tussenin een bevredigend evenwicht te vinden, "Zo erg is het nou ook weer niet", reageert Ronald Hamel, "Als je kijkt naar de functionele eisen die aan een bepaald gebouw-een school bijvoorbeeld, of een woningwetwoning - gesteld worden, dan is daarin al heel wat gedragswetenschappelijk inzicht verwerkt. Alleen, je ziet het er zo niet aan af. Ergonomische eisen bijvoorbeeld, liggen lang en breed vast. Zoals: hoe hoog moet een aanrecht zijn? En er zijn bovendien nogal wat architecten die alleen maar willen ontwerpen op basis van inspraak van de toekomstige bewoners of gebruikers van een project, We moeten niet doen alsof ze doof zijn voor dit aspect van het bouwen. Ze hebben soms alleen wat moeite om wetenschappelijke informatie op dit punt op te sporen, te begrijpen en te verwerken,"
V
an de theorie weer terug naar de praktijk. Een aardig aanknopingspunt daartoe biedt het boek 'Bouwen en wonen in de jaren negentig' dat de Nationale Woningraad (NWR) be-
gin dit jaar deed verschijnen. Het overvloedig geillustreerde werk vormt de schriftelijke begeleiding van een als "buitenexpositie van koop- en huurwoningen" omschreven project dat, aldus NWR-directeur drs. B.G.A. van Kempen in een woord vooraf, uniek is voor Nederland. In 1988 daagden de organisatoren een groep opdrachtgevers en architecten uit hun visie te geven op het wonen in de toekomst. Ze mochten daarbij hun fantasie de vrije loop laten, mits ze zich hielden aan een aantal randvoorwaarden. Naast de gebruikelijke eisen en voorschriften moesten de woningen voldoen aan criteria zoals bruikbaarheid, degelijkheid en schoonheid en
'Maak maar iets voor jonge tweeverdieners, riep de opdrachtgever en verdween, ons in radeloosheid achterlatend.' dienden ze energiezuinig en onderhoudsarm te zijn, en simpel aanpasbaar voor mensen met functiestoornissen. En het moest allemaal nog bliksemsvlug klaar ook: tussen de eerste bijeenkomst van de aspirant-deelnemers en de voltooiing van het gehele project lag nog geen anderhalf jaar. En zo is de vooruitstrevende groeigemeente Almere nu een nieuwbouwwijk rijker die een keur aan avant-gardistisch woongenot herbergt: van huisvesting voor groepsbewoning tot leef/werkeenheden, van meerfase- tot 55-1- woningen, en van "appartementen met meerwaarde" tot "hui-
De bouw en het eindresultaat van woningen voor jongere tweeverdieners in Almere, ontworpen door architectenbureau Brouwer Steketee: 'Wat risltant blijft is datje dingen veronderstelt die, eenmaal gerealiseerd in het betreffende bouwwerk, een voldongen feit blijken'. Foto's Gert Schutte, Almere
VU-MAGAZINE—SEPTEMBER 1990
22
VU-MAGAZINE—SEPTEMBER 1990
23
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's