VU Magazine 1990 - pagina 245
zenskenmerk van de 'wilde natuur' is convergentie waarbij elk natuurlijk proces ten slotte uitmondt in een climax; een natuurlijk evenwicht waarbij één enkele soort de alleenheerschappij detinitief veroverd heeft.
S
mers juist de mens als kwade genius bij uitstek achter het onttakelingsproces in de natuur zien. Diezelfde mens achten zij niettemin in staat te herstellen wat hij eerder uitroeide en vernielde.
Prof.dr. Victor Westhoff: 'Wat wil liet planOoievaar? De zomerdijken doorsteken. Weg flora!' Foto Freddy Rikken
D
eze ambivalentie valt deels te verklaren uit het enthousiasme dat bij sommige ecologen teweeg werd gebracht door ervaringen opgedaan rond de Oostvaardersplassen. Dit waterrijke deel van noordelijk Flevoland - gebied door mensenhand geschapen - bleef wegens geldgebrek voor cultivering gespaard, Daar ontwikkelde zich in betrekkelijk korte tijd een ongerept natuurgebied, waar vogels en tal van al dan niet bedreigde dier- en plantesoorten een gunstige biotoop vonden. Voor de natuurontwikkelaars is dit gebied zo'n beetje het prototype van de ecologische referentie geworden. Inmiddels grazen er wilde paarden en 'heckrunderen' - kunstmatig teruggekruiste oerossen - die men er zomer en winter aan hun lot kan overlaten. Voor Vera en Baerselman zijn de ontwikkelingen in de Oostvaardersplassen een stimulans geweest voor het bedenken van hun 'plan-Ooievaar', waarvan de terugkeer van de zwarte variant van genoemde vogel overigens maar een enkel element vormt. Het plan voorziet in maatregelen om langs de grote rivieren, complete, oor-
amengenomen leiden deze twee uitgangspunten tot een natuurbeeld waarin de mens een essentiële rol vervult. Deze visie staat haaks op het traditionele, aan de Romantiek ontsproten beeld, waarin natuur gedefinieerd wordt als al wat groeien en bloeien wil zolang de mens zich maar afzijdig houdt, en waarvan Arthur van Scliendei uitging toen hij schreef: "al te veel bemoeienis deugt niet voor de natuur". Volgens Westhoff is het omgekeerde waar: de natuur zoals die ons voor ogen staat, is ontstaan uit een intensieve interactie tussen mens en 'oernatuur'. Was dat niet het geval geweest dan zou Nederland het land van stinkende moerassen en verschrikkelijke bossen zijn gebleven, waarvan de Romeinse ontdekkingsreiziger Tacitus in de eerste eeuw van onze jaartelling gewaagde. 'Halfnatuurlijke landschappen' noemt Westhoff het natuurschoon dat uit die samenwerking is geboren. Ons land kent voorbeelden te over: heidevelden, rietlanden, blauwgraslanden. En wie staat er eigenlijk bij stil dat we de grote variatie aan bijvoorbeeld weidevogels waarop ons land kan bogen, rechtstreeks te danken hebben aan 'onnatuurlijk' menselijk ingrijpen, zoals inpolderen en bedijken?
Foto Bram de Hollander
hief neemt niet weg dat, na de 'oernatuur', ook deze halfnatuurlijke landschappen in hoog tempo met verdwijnen worden bedreigd. In Thijsse's tijd bestond Nederland nog voor vijfenzeventig procent uit dergelijk natuurschoon. Daarvan is nu nog nauwelijks één procent over; een paar lapjes grond die, als waren het museumstukken, hier en daar nog te bezichtigen zijn als natuurreservaat. En die schamele restanten kun je, aldus Victor Westhoff, alleen behouden door ze intensief - dat wil zeggen: met man en macht - te beheren. Hoogst conservatief, vindt een aantal dissidente
'Natuurbehoud en natuurbouw moetje niet tegen elkaar afzetten. Het is niet het een óf het ander, maar het een én het ander.'
het groepje radikalinski's hebben opgeworpen: net als de zandverstuivingen op de Veluwe moeten we dan de Sahara en het kappen van tropisch regenwoud óók als menselijke natuurverrijking beschouwen.
O
nlangs mochten Vera en Baerselman in NRC/Handelsblad uiteen zetten hoe hun natuurbeeld is opgebouwd. Hoeksteen ervan is een situatie die zij omschrijven als 'ecologische referentie': de natuur in Nederland zoals die huns inziens zou zijn geweest wanneer de mens zijn schennershanden thuis gehouden had. Voor Nederland bestaat die ecologische referentie overigens alleen in theorie; 'onze' natuur is immers al volledig in cultuur gebracht. Deze referentie dient te worden gereconstrueerd natuurontwikkelaars deze Westhoviaanse opstelals een legpuzzel waarvoor uiteenlopende wetenling. En dat de mens met zijn ingrepen de natuur schappelijke disciplines- naast de ecologie bijverrijkt is een riskante mythe, menen bijvoorbeeld voorbeeld ook de biogeogratie, palynologie, pade ecologen drs Frans Vera en drs Fred Baerseileontologie, archeologie en geschiedenis - de man die zich min of meer als woordvoerders van VU-MAGAZINE—JUNI 1990
stukjes moeten aandragen. Zelfs dan is de ecologische referentie niet meer dan een maatstaf, een hypothetisch hulpmiddel om te bezien welke schade is aangebracht aan het ecosysteem, en welke onderdelen, desnoods kunstmatig, aangebracht dienen te worden om natuurlijke processen weer op gang te brengen. Wat in deze visie afwijkt van het vertrouwde denken in Westhoviaanse trant, is in de eerste plaats de ontkenning van convergentie als typerend trekje van natuurlijke processen: wie de natuur haar gang laat gaan oogst uiteindelijk geen eenvormigheid maar variatie en een ongekende rijkdom aan soorten, menen de natuurbouwers. En ze trachten hun gelijk te bewijzen met de verscheidenheid aan dier- en plantesoorten die zij aantroffen in Kühkopf-Knoblochsaue, een 'rivierbegeleidend' bos langs de Rijn in Duitsland, waar 140 soorten planten, duizend soorten kevers, vijfhonderd soorten vlinders en tweehonderd soorten broedvogels (tweevijfde van het totale bestand op het Europese continent) te vinden zouden zijn. Een tweede opmerkelijkheid in dit nieuwe denken, is de sterke nadruk die de 'maakbaarheid' van de natuur hier krijgt; een wat paradoxaal lijkende gedachte omdat Vera en Baerselman lmVU-MAGA2INE—JUNI 1990
'Dan moet je het rivierwater zuiveren, de dijken doorsteken en de kribben opruimen. Dan heb je pas natuur.' spronkelijke ecosystemen te realiseren, die uiteindelijk dezelfde natuurlijke variatie opleveren, welke nu in de Kühkopf-Knoblochsaue te vinden is. Essentieel in dit ooievaarsplan is de kans op terugkeer die de traditionele 'stroomdalflora' naar hun idee zou krijgen door natuurlijke processen - overstroming en uitdroging bijvoorbeeld - weer ongeremd hun gang te laten gaan. In dezelfde aflevering van NRC/Handelsblad waarin Vera en Baerselman hun anti-Westhoffdenken uiteen mogen zetten, krijgt in een interview de naamgever van het gewraakte gedachtengoed de kans om fris van de lever te reageren. "Goedbedoeld", noemt hij het plan-Ooievaar, maar tegelijk "weinig doordacht". Belangrijkste reden: ook hier worden, zoals steeds, mens en natuur gescheiden. Inderdaad, geeft de thans 73-jarige prof. Victor Westhoff toe, de mens lieeft de natuurlijke processen gestabiliseerd door het land te bedijken, rivieren te kanaliseren en de oorspronkelijke, gro23
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's