VU Magazine 1990 - pagina 429
-^v»
over het werk te melden hebben wat ik zelf nog niet wist. Dat is ook de normale gang van zaken, er komt een betekenisgeving op gang. Als maker stop je er zeker elementen uitje eigen context in, maar daarna heeft het een bestaan waarin ook anderen er ideeën op gaan projecteren en waarden aan gaan hechten. Dat proces interesseert me.
A
l vrij snel, zo rond 1967 ben ik in mijn eigen werk woorden gaan gebruiken die uitspraken weergeven, of een cultuurhistorische notie hebben. Het zijn bepaald geen betekenisloze kreten. Het is niet zo dat ik alleen de vorm van letters belangrijk vind, al komt dat er wel bij, zeker bij die eenlettergrepige woorden die ik tegenwoordig gebruik. Losse woorden kies ik vaak om enkele betekenislagen. Maar door commentaar van anderen komen daar betekenissen bij. Wat ik zou kunnen doen is dat omstandig gaan opschrijven, maar dan wordt dat een soort lesboekje. Daar heb ik helemaal geen zin in.
Prof.dr. C.H. Biotkamp (1945) is sinds 1982 hoogleraar kunstgeschiedenis van de nieuwste tijd aan de Vrije Universiteit. Hij was van 1967 tot 1974 kunstcriticus voor Vrij Nederland. In 1973 promoveerde hij op Pyke Koch. Daarna publiceerde hij onder andere monografieën over Ad Dekkers en Piet Mondriaan. Tot en met 11 november exposeert hij 'De BIS-prenten' in Museum Fodor in Amsterdam. In de Steendrukkerij Amsterdam wordt tot en met 1 december kleinere grafiek tentoongesteld. Interview: Johan de Koning Foto: Peter Welters - AVC/VU
zie, daar ben ik nog steeds dol op. Ik ben misschien de enige die het merkt, maar in wat ik schrijf, in kritieken en andere artikelen, let ik heel sterk op ritme, assonanties en dergelijke zaken. Eigenlijk kun je zeggen: het zijn steeds cirkelbewegingen om dezelfde kern heen. Ik ga nooit ver van huis. Woordbeeldrelaties hebben me altijd zeer geïnteresseerd. In mijn kunsthistorische werk wil ik nu een beetje af van dat monografische. Ik heb mijn boeken en artikelen altijd opgehangen aan één kunstenaar of één werk. Nu wil ik een boek gaan Er wordt door kunschrijven over titels van stenaars tegenwoordig kunstwerken, in alle moveel geschreven. Vaak op gelijke variaties. Geen een pseudoliteraire machronologisch werk, ik wil nier, heel erg associatieheen en weer springen in verig, of ze willen laten de tijd om bepaalde benazien dat ze niet van de deringen te groeperen. straat zijn en halen wat Titels zijn niet van de modieuze Franse filosofen eeuwigheid. In de beeldenaan. Het zou wat mij bede kunst zijn ze een vrij retreft best wat minder mocent fenomeen, een paar gen, hoe graag ik ook tekeeuwen oud. Sommige sten van kunstenaars gebruik. Vaak is het toch een kunstenaars geven heel concrete namen aan hun soort vervuiüng. werk en anderen willen aangeven datje niet geoen ik ging studeacht wordt er meer in te ren, heb ik geaarzien dan 'nummer zoveel'. zeld tussen kunstJe kunt ook denken aan geschiedenis en neerlandis- populaire bijnamen, zoals tiek. Vroeger hield ik de li- de Nachtwacht. Het gaat teratuur echt bij. En poë-
T
VU-MAGAZINE—NOVEMBER 1990
iH
me niet alleen om de naamgeving door de kunstenaar, maar ook om die door anderen. Waar ik vooral op uit wil komen is wat voor verschillende waarden er worden geprojecteerd op woorden en beelden. In het algemeen heeft men het idee dat woorden veel duidelijker of concreter zijn dan beelden. Dat is misschien niet helemaal ten onrechte, maar als je kijkt naar de eerste helft van deze eeuw en leest wat Kandinsky en Mondriaan schreven over hun werk, dan roept dat evenveel misverstanden op als dat het verduidelijkt. Dus ik wil niet zeggen dat woorden zonder meer altijd verduidelijken, maar relatief gezien zijn woorden denk ik ietsje helderder. Titels kunnen ook veel schijnhelderheid geven. Het werk van Bart van der Lek vind ik een mooi voorbeeld. Hij heeft buitengewoon radicale dingen gedaan, maar hij heeft zich tegelijkertijd vaak gestort in vormen die modern maar toch vertrouwd waren, zoals het in blokjes
moet maken. Maar het spannendst vind ik zelf beelden maken. In het onderwijs is veel repetitief. Je krijgt steeds mensen van dit niveau en die komen op dat niveau. Het is heel leuk om met mensen die in zo'n pril stadium verkeren van doen te hebben, maar met het ouder worden wordt het allemaal tamelijk voorspelbaar. Ik publiceer veel en dat doe ik echt niet omdat het van de baas moet. Ik schrijf heel graag. Niet snel, maar wel graag. Schilderen heb ik nooit als een regelmatige bezigheid gezien; soms heb ik er een heel jaar niets aan gedaan. Het is geen dagelijks werk en dat zal het ook nooit worden.
W
at zowel bij het schrijven als het schilderen voortdurend op de achtergrond aanwezig is, is een citaat dat grote indruk op me heeft gemaakt. Jan Emmens opent er zijn proefschrift mee. Het is van Jean Paulhan, die zegt: Alles is al gezegd, ongetwijfeld, maar woorden veranderen van betekenis
'Als je leest wat Kandinsky en Mondriaan schreven over hun werk, dan roept dat evenveel misverstanden op als dat het verduidelijkt,' ontleden van voorstellingen. Dat is bij uitstek een terrein waarop het bordje 'Vrouw met geitjes' iets geruststellends heeft. Wel modern, maar toch niet te dol. Praktisch alles wat ik doe, doe ik heel graag, dus dat betekent datje er tijd voor
en betekenissen van woorden. En dat is eigenlijk wat me voortdurend moti veert. Verschuivingen in betekenisverlening, daar draait het om, zowel in historisch onderzoek, als voor mij althans - in het zelf maken van kunst.
5 31
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's