VU Magazine 1990 - pagina 345
De bijbel literair gelezen Is de bijbel voer voor theologen of voor letterkundigen? Het lijkt een wat onvruchtbare vraagstelling die niettemin af en toe opduikt. Een paar jaar geleden haalde de kwestie zelfs de landelijke pers. Maria de Groot had een proefschrift geschreven over het evangelie van Johannes. De theologen van de universiteit van Utrecht vonden dat haar werk niet door de beugel kon en weigerden haar de doctorstitel te verlenen. De Groot, theologe én letterkundige, week uit naar de faculteit der letteren. Die bezorgde haar alsnog de beoogde titel. De ophef die over dit voorval gemaakt werd, betrof vooral het feministisch gehalte van het proefschrift van De Groot. Het was het eerste feministisch-theologische proefschrift dat in Nederland verdedigd werd. En het kon dan ook haast niet uitblijven dat de bezwaren van de heren theologen door boze vrouwen werden uitgelegd als weerzin tegen het feminisme. Een minstens zo boeiende discussie bleef in deze sfeer van verwijten over en weer achterwege: die over literaire methoden om de bijbel uit te leggen.
D:
'30
e Groots proefschrift bood daartoe alle aanleiding. Zijzelf plaatste haar werk nadrukkelijk tegen de achtergrond van de literatuurwetenschappen. Daar is de aandacht de afgelopen honderd jaar verschoven: op zoek naar de betekenis van een tekst wordt de aandacht niet langer gericht op het leven van de auteur, maar op de structuur van de tekst zelf. Het is in de literatuurwetenschappen inmiddels niet ongebruikelijk om nog een stap verder te 34
Veel van wat letterkundigen hebben ontwikkeld aan methoden om teksten te bestuderen, schijnt nauwelijks tot theologen door te dringen. En dat is jammer. De Schrift als rijke bron voor hteraire vorsers. HANNEOBBINK
gaan en ook de lezers van een tekst te betrekken in het onderzoek naar zijn betekenis. Een tekst h.eeft, zo luidt de vooronderstelling van deze lezersgerichte benadering, zonder lezers immers geen betekenis. De bijbelwetenschappen hebben een deels soortgelijke ontwikkeHng doorgemaakt. Zeker anderhalve eeuw lang is de historisch-kritische benadering van de bijbel de meest gangbare geweest. Deze benadering spitste zich vooral toe op de tekstgeschiedenis. Er werd vastgesteld dat de tekst van de bijbelboeken in zijn huidige vorm geen eenheid was, maar berustte op verschillende bronnen. Van elk van deze bronnen werd onderzocht wanneer en onder welke omstandigheden die ontstaan was. Deze aandacht voor de oorsprong, de 'auteur', van de bijbelteksten heeft langzamerhand plaats gemaakt voor een benadering die de tekst zelf centraal stelt. Theologen en letterkundigen ontwikkelen zich dus in dezelfde richting. Het is echter de vraag of dat het gevolg is van een doelbewuste uitwisseling van inzichten tussen de twee disciplines of dat het berust op een min of meer toevaUige samenloop van omstandigheden. Veel van wat letterkundigen hebben ontwikkeld aan methoden om teksten te bestuderen, schijnt nauwelijks tot theologen door te dringen. En dat er inmiddels letterkundigen zijn die niet meer de tekst, maar de lezer centraal stellen, is de theologen kennelijk ook ontgaan. Zo kon het tot de 'affaire-De Groot' komen. Zij deed een expliciete poging de nieuwste verworvenheden van de literatuurwetenschappen vruchtbaar te maken voor het bijbelonderzoek. Deze poging werd door letterkundigen gewaardeerd, maar verdiende
volgens theologen het etiket 'wetenschap' niet.
H
et feit dat literatuur- en bijbelwetenschappers twee afzonderlijke werelden vormen, wordt veroorzaakt door de volstrekt verschillende invalshoeken die zij benutten. Letterkundigen beschouwen de bijbel als literair object, theologen zien daarin aanzien-
VU-MAGAZINE—SEPTEMBER 1990
lijk meer. "Er bestaan talloze verhalen in de literatuur," schreef de godsdienstfilosoof Vroom een aantal jaren geleden in het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, "over Philemon en Baucis, over Roodkapje, over Max Havelaar en ook over Jezus." Maar, aldus Vroom, de bijbelverhalen zijn van een andere orde dan verhalen als die over Roodkapje: de bijbelverhalen hebben - voor theologen, voor gelovigen - een zeker gezag. Het gezag van de bijbel hangt samen met zijn historiciteit, betoogde Vroom in hetzelfde artikel. Als bij voorbeeld uit historisch onderzoek blijkt dat Abraham, Isaak en Jakob niet hebben bestaan, valt het gezag van de verhalen over hen weg. "Om het scherp te stellen: wij worden opgeroepen te vertrouwen op de God van Abraham, Isaak en Jakob, maar Abraham, Isaak en Jakob hebben niet bestaan." Tegen deze achtergrond valt te ver-
VU-MAGAZINE—SEPTEMBER 1990
klaren waarom de doorsnee-theoloog de ene methode van bijbelonderzoek wel en de andere niet accepteert: onderzoek waarin de auteur of de tekst centraal staat, wordt wel van waarde geacht, onderzoek dat zich richt op de lezer niet. Historisch-kritisch onderzoek is van groot belang, omdat het het gezag van de bijbel kan ondergraven of onderbouwen; tegelijk heeft het beperkingen, omdat het geen antwoord geeft op de vraag wat een, bijbelverhaal ons, lezers van nu, te zeggen heeft. Tekstgericht onderzoek draagt wel bij aan het antwoord op deze vraag; het zegt echter niets over het verband tussen de verhalen en de gebeurtenissen waarop deze al dan niet teruggaan. Lezersgericht onderzoek is van geen enkel nut: de opvatting dat de betekenis van een tekst per lezer verschilt, is nauwelijks te verenigen met de gedachte dat de bijbel een zelfstandig gezag heeft.
K
ortom: het is geen wonder dat theologen zich weinig gelegen laten liggen aan literatuurwetenschappelijke inzichten. Het zijn vooralsnog dan ook vooral buitenstaanders - niet-theologen, niet-gelovigen - die zich met de bijbel als een bundel verhalen-zondermeer, als literatuur bezig houden. Het belang daarvan wordt in steeds breder kring ingezien. Twee jaar geleden begon het weekblad De Groene Amsterdammer
'De bedoehng was niet zozeer om theologische, als wel culturele en maatschappelijke aandacht voor de Schrift te vragen.' (bepaald niet bekend om zijn christelijke zendingsijver) zelfs een serie lezingen waarin enkele ongelovige of ongelovig geworden intellectuelen hun licht lieten schijnen over een bijbels thema. "De bedoeling was niet zozeer," zo verantwoordde Martin van Amerongen het initiatief van zijn blad, "om theologische, als wel culturele en maatschappelijke aandacht voor de Schrift te vragen, een boek dat in vooruitstrevende kringen dom genoeg goeddeels wordt genegeerd. Ondanks het feit dat het reeds twintig eeuwen lang het fundament vormt van de westerse beschaving, een handleiding voor moreel en immoreel handelen en als zodanig het meest invloedrijke boek is in de cultuurgeschiedenis." Van Amerongens inzicht wordt kennelijk door velen gedeeld. De bijbellezingen werden goed bezocht en ook het feit dat de stroom van boeken die zich met de bijbel als literatuur bezig houden nog steeds groeit, is een aanwijzing in dezelfde richting. Een soort rots in de branding van deze boekenstroom is 'The literary guide to the bible'. De bijbel is, schrijven samenstellers Robert Alter en Frank Kermode, "een werk met grote literaire kracht en gezag, een werk waarvan het volledig begrijpelijk is dat het geest en leven van intelligente mannen en vrouwen twee millennia en langer heeft gevormd." De gids biedt een literaire kritiek 35
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's