VU Magazine 1990 - pagina 381
sluitend geschreven voor een kleine commissie; het komt dan meestal niet veel verder dan een beperkt universitair circuit. Toch is ook in ons land de tendens merkbaar dat proefschriften minder vaak in een handelseditie verschijnen. En dat komt omdat het steeds makkelijker wordt - denk aan de hoge vlucht die tekstverwerker en desktop-publishing hebben genomen - om dissertaties in eigen beheer uit te geven. De noodzaak om nog een professionele uitgever voor je geesteskind te interesseren, is grotendeels verdwenen. Het gevolg daarvan is dat ook de toegankelijker, aardig ogende dissertaties nauwelijks nog in brede kring circuleren. Sterker nog, vaak bereiken ze niet eens meer het leencircuit: de bibliotheken van andere binnenen buitenlandse universiteiten. Dat is een ernstige zaak.
W
e denken dat we in de Nederlandse wetenschap sterk internationaal zijn ingesteld. We lezen veel buitenlandse boeken, gebruiken vrij veel anderstalige iïteratuur in onze opleiding. Door het passief consumeren daarvan is het gevaar echter niet denkbeeldig dat we nogal gemakzuchtig neigen tot het klakkeloos overnemen en imiteren van wat elders bedacht is. Voor de scholing van Nederlandse onderzoekers is van groot belang, dat ze naar de eigen samenleving leren kijken met de ogen van een buitenlander. Dat komt een goed begrip van ons eigen politieke stelsel, de cultuur, de sociale structuur en wat dies meer zij, alleen maar ten goede. Er is mijns inziens geen betere manier om dat te leVU-MAGAZiNE—OKTOBER 1990
Prof.dr. H. Daalder (1928) doceert politicologie aan de Rijlcsuniversiteit te Leiden. Zijn internationale oriëntatie blijltt vooral uit de vele gastdocentschappen die hij in den vreemde vervulde (onder meer aan de Harvard University in Cambridge waar hij de Nederlandse Erasmus-leerstoel bezette en aan het Europees Universitair Instituut in Florence). Hij maakte lange tijd deel uit van het bestuur van het European Consortium of Politica! Research, waarvan drie jaar als voorzitter, en is bestuurslid van onder andere de Stichting Praemium Erasmianum en van de Stichting Het Parool. Interview: Gert J. Peelen Foto: Klaas Koppe
ren, dan door de essentialia van ons eigen stelsel uiteen te moeten zetten in een vreemde taal voor een publiek of lezerskring uit een andere cultuur. Let wel, ik zeg niet dat de Nederlandse wetenschapper slecht communiceert met buitenlandse vakgenoten. We doen het wat dat betreft verhoudingsgewijs nog helemaal niet zo slecht. Overigens wordt van de kant van het departement het maatschappelijk nut van Nederlandstalige wetenschappelijke publikaties onderschat; zeker als het over Nederlandse onderwerpen gaat. Te automatisch wordt aan bijvoorbeeld engelstalige publikaties voorrang gegeven, zonder dat het intrinsieke, maatschappelijke en poHtieke belang ervan zorgvuldig wordt afgewogen. Vergelijk je het universitaire systeem in ons land met dat in het buitenland, dan valt op dat wij hier een zeer brede opleiding bieden, waarin vrij veel vakgebieden aan bod komen. Maar de nadruk heeft hier altijd teveel gelegen op het nogal passief consumeren van de studie.
G
root nadeel hiervan is, dat het met de wetenschappelijke schrijfcultuur in ons land slecht gesteld is. Dat begint overigens al op de middelbare school, waar men, in tegensteUing tot wat gangbaar is op de Amerikaans high school, geen harde training krijgt in het schriftelijk communiceren. Het zelfde geldt voor onze universitaire opleiding. We zijn vrij sterk in het afwerken van lange literatuurlijsten. Maar het leren schrijven van wetenschappelijke stukken - en vooral: het leren herschrijven - bevindt zich volstrekt in de marge van de studie. Neem de doctoraalscriptie; die komt bij de meeste studenten in de eerste fase niet dan uiterst moeizaam tot stand. Maar zelfs als mensen aan een dissertatie moeten beginnen, beschikken ze vaak nog niet over de benodigde schrijfvaardigheid. Door onwennigheid gaat onnodig veel tijd verloren. Niet zelden valt een promovendus dan in het diepe gat tussen de ei-
voorbeeld in de negentiende eeuw nog bezaten, verloren te gaan. Er wordt in de opleiding te weinig aandacht aan besteed; dat is duidelijk. Maar vraag me niet waarom dat zo is. Om, wat wel vaker gebeurt, de schuld aan de middelbare school te geven, is mij te gemakkelijk; ik ben ten slotte de zoon van een leraar Nederlands. Ik denk dat het een probleem van nationale omvang is. Er wordt in Nederland heel veel gedrukt dat béter geschreven had kunnen zijn. Men is bijvoorbeeld niet gewend een voor de eerste maal geschreven tekst te beschouwen als een concept dat nog vele malen moet worden herzien. Op zoek naar een verklaring zou je op het volgende kunnen wijzen. Er heerst in Nederland een combinatie van een vrij egalitaire cultuur en een sterk accent op de rechten van het individu. Daarin past niet de neiging om elkaar voortdurend de maat te nemen. Kritiek wordt snel beschouwd als een
Ik vind de eis een proefschrift te schrijven nog altijd fundamenteel voor iemand die in de wetenschap een boterham wilgaan verdienen.' gen aspiraties en het gebrek aan schrijfervaring. Naar de oorzaak van deze kennelijke onderwaardering van de schrijfcultuur, is het moeilijk gissen. We waren immers een volk van rederijkers en bijbellezers. En nu dreigt de taalvaardigheid die velen bij-
persoonlijke aanval. Een combinatie van een grote mate van tolerantie die ge paard gaat met zeer lange tenen waar het de eigen persoon betreft; daarin zou misschien het be gin van een antwoord kunnen schuilen.
9 27
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's