VU Magazine 1990 - pagina 109
Kort na zijn overlijden - op 21 mei 1935 te Lunteren - werd Hugo de Vries in de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, waarvan hij lid was geweest, herdacht. Daarbij werd onder meer het volgende gezegd: "Er bestaat welhaast geen buitenlandsche Akademie of geleerd genootschap van beteekenis, dat De Vries niet onder zijn eereleden had opgenomen. In dit opzicht kan men zeggen, dat hij de beroemdste levende Nederlander was." Na een resumé van zijn wetenschappelijk onderzoek volgt: "Wij moeten volstaan met deze enkele grepen uit dit overweldigend levenswerk als een eerbewijs aan de nagedachtenis van dezen grooten natuuronderzoeker, een der grootsten van alle tijden." En ten slotte: "Zooals zooveel groote genieën stond De Vries geestelijk geïsoleerd; hij was een eenzame bergtop ver uitstekend boven het omringende bergland." Ook nu kennen velen in ons land zijn naam nog al was het maar doordat in talrijke gemeenten straten of pleinen naar hem zijn genoemd. Graag wil ik juist in deze stad en op deze plaats eens aandacht voor Hugo de Vries vragen. Hij werd immers op 16 februari 1848 alhier geboren en hij heeft zijn leven lang contact met Haarlem onderhouden, met name doordat hij sinds 1881 lid was van de aan de overzijde van het Spaarne zetelende Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen en sinds 1902 van Teylers Tweede Genootschap. Hij bevond zich dikwijls in deze zaal, die ook zijn naam hoog houdt.
H
ugo de Vries was een geboren botanicus en had reeds op 12-jarige leeftijd een herbarium met 100 gedroogde Haarlemse planten. Het is dus niet verwonderlijk dat hij in 1866 in Leiden plantkunde ging studeren. Het botanisch onderwijs was destijds hoofdzakelijk ouderwets-beschrijvend en dat bevredigde hem niet. Hij zocht nieuwe wegen. Deze vond hij al tijdens zijn studententijd. Zo kocht hij in 1868 op een veiling een Duitse vertaling van Darwin's hoofdwerk uit 1859 en sindsdien heeft het evolutie-verschijnsel hem niet meer losgelaten. In dezelfde tijd schreef de Groningse universiteit een prijsvraag uit over de invloed van warmte op plantenwortels. De Vries werd door dit fysiologisch thema meteen gepakt en ging er op de zolder van het ouderlijk huis in Den Haag met behulp van oliepitjes proeven over doen (gas- en ook waterleiding ontbraken nog). In 1869 verwierf hij met dit werk de gouden medaille van de Groningse Senaat en op een uitgewerkte versie promoveerde hij op 6 oktober 1870 te Leiden. Direct daarop ging hij een jaar naar Duitsland waar al wel grondig plantenfysiologisch onderzoek werd gedaan. In 1871 werd hij leraar aan een HBS in Amsterdam. In de vakanties spoorde hij steeds naar Duitsland om zijn onderzoek voort te zetten. Hij was een uitstekend leraar. Een van zijn leerlingen was Jacques Perk (1859-1881). Garmt Stuiveling vermeldt in zijn biografie van deze jong VU-MAGAZINE—MAART 1990
gestorven dichter dat hij slechts voor plant- en dierkunde goede cijfers behaalde en over de jonge stimulerende leraar lezen we: "Opgewekt en joviaal van aard, gaf de Vries les zonder de officiële pedagogiek dier dagen, en hij was even helder in zijn uitleg als stipt inzake orde en vlijt." Nog een andere aanstaande Tachtiger, namelijk Willem Kloos (1859-1938), zat bij hem in de klas. Van 1875 tot '77 woonde en werkte De Vries in Duitsland om daarna aan de Universiteit van Amsterdam met het onderwijs in de plantkunde belast te worden, sinds 1881 als gewoon hoogleraar. Tijdens zijn professoraat heeft hij zich steeds'zeer ingezet voor de uitbreiding en verrijking van de oude Hortus Botanicus, waarvan tiij directeur was. Hij achtte deze van groot belang, met name voor de opleiding van botanici ten behoeve van de cultures in de Nederlandse koloniën. Zijn onderzoek richtte zich aanvankelijk vooral op de levensverschijnselen in plantencellen en de resultaten hiervan bezorgden hem reeds wereldfaam. Daarnaast begon het mysterieuze verschijnsel der erfelijkheid hem te boeien, De belangrijkste theorie hierover was van Darwin, behelzend dat vanuit alle lichaamscellen specifieke erfelijkheidsdeeltjes naar de geslachtsorganen zouden stromen om vervolgens op de nieuwe generatie te worden overgedragen. Darwin noemde dit 'pangenesis'. De Vries schreef in 1889, dus precies een eeuw geleden, een boek over het mechanisme der erfelijkheid. En dit is de reden om deze voordracht juist nu te houden. Hij vond Darwin's gedachte dat er concrete erfelijkheidsdeeltjes moesten bestaan van eminent belang, maar het transport hiervan door het lichaam wees hij af. De deeltjes
'Opgewekt en joviaal van aard, gaf de Vries les zonder de officiële pedagogiek dier dagen, en hij was even helder in zijn uitleg als stipt inzake orde en vlijt.' blijven volgens hem binnen de cellen en zijn in de celkern gelocaliseerd. Ter ere van Darwin noemde De Vries hen 'pangenen' en dit woord is later afgekort tot het nu ieder bekende 'genen'. Door deze juist gebleken stellingname is De Vries grondlegger van de moderne genetica geworden. Dit werd nog versterkt door zijn herontdekking in 1900, tegelijk met enkele buitenlanders, van de in vergetelheid geraakte Wetten van Mendel, en voorts door zijn in 1901-'03 verschenen grote boek 'Die Mutationstheorie', dat de aandacht vestigde op de belangrijke rol die 'mutaties' spelen bij erfelijke veranderingen, soortvorming en 19
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's