VU Magazine 1990 - pagina 247
sprek op zijn werkplek: het koetshuis van het Leersumse landgoed Broekhuizen. "In feite zijn al die onoverbrugbaar lijkende tegenstellingen toch steeds weer tot dezelfde grondprincipes terug te voeren", zegt hij geruststellend. En hij legt geduldig uit dat de term 'cybernetisch' bedoeld is om aan te geven dat in deze benadering het systeem centraal staat (cybernetica is de leer van de automatische regelen terugkoppelingsmechanismen). Niet het afzonderlijke plantje of beestje is studie-object, maar de wisselwerking tussen het geheel van levende organismen die in onderlinge afhankelijkheid in een bepaald gebied een leefgemeenschap vormen. De term die onlosmakelijk met deze benadering verbonden zal blijven is 'ecosysteem'. Deze wetenschappelijke inbreng in de natuurstudie maakte de ecologie voor de (politieke) beleidsmakers aantrekkelijk en de ecologen tot volwaardige gesprekspartners, aldus Schroevers. Want de cybernetische benadering suggereerde een grote mate van voorspelbaarheid ten aanzien van de ontwikkelingen in ecosystemen, waarnaar vooral de technocraten wel oren hadden. De cybernetici zelf probeerden op basis van diezelfde voorspelbaarheid een 'blauwdruk voor overleving' te ontwerpen, waarin de van de natuur vervreemde mens werd aangespoord tot 'ecologisch inpasbaar handelen'. Het is vooral de nadruk op stabiliteit en de claim op voorspelbaarheid van de cybernetici geweest, die bij de jonge garde van zich 'evolutionair' noemende ecologen weerstand en irritatie heeft opgeroepen. Voorspelbaarheid en stabiliteit zijn synoniemen voor stilstand en behoudzucht, vinden zij. Meer aandacht voor het toeval als sturende kracht stellen zij daar tegenover. Breng ecosystemen maar uit balans, zo luidt kort samengevat hun credo. In zo'n 'ver-van-het-evenwicht-situatie' wordt de keus aan de natuur zelf gelaten en krijgt het toeval als sturend element weer een kans. Alleen dan, menen zij, onstaan nieuwe soorten, nieuwe ordeningen, nieuwe ecosystemen, met als globaal resultaat: meer diversiteit.
S
chroevers, die zichzelf als puntje bij paaltje komt als een 'Westhoviaan' en aanhanger van de cybernetische benadering beschouwt, vindt de radikale aanpak van de evolutionairen wel "verfrissend", maar adviseert niettemin enige reserve te betrachten: "Als je deze opvattingen tot in het uiterste doortrekt dan komt het er eigenlijk op neer, dat we kernexplosies, brekende ozonlagen, verzuring van de regen en broeikaseffect maar moeten toejuichen", meent hij. "Want die brengen de natuur pas echt in een stress-situatie." Maar er schuilt nog meer gevaar in deze opvatting: "Als alles aan het toeval moet worden overgelaten", zegt Schroevers, "als er niets meer te sturen valt en niets meer te voorspellen, waar VU-MAGAZINE—JUNI 1990
heb je de ecologie dan nog voor nodig? Met zo'n opvatting zet je toch alle verworvenheden op het terrein van natuurbehoud, -beheer en -bescherming definitief buiten spel, Al wat ons dan nog rest is een beetje anticiperen op wat toch wel zal gebeuren, omdat er niets te sturen valt." "Er zijn en blijven", zegt hij, "voor de toekomst keuzen te maken. En de zin van onze wetenschappelijke werkzaamheden is, dat wij als ecologen daartoe, zo goed en zo kwaad als mogelijk is, voorspellingen doen, scenario's maken. We moeten, kortom, een c/oe/voor ogen houden. Doe je dat niet dan word je, of je wilt of niet, meegezogen in de groeispiraal die nu de aarde aan het verwoesten is." Probleem is eigenlijk alleen nog of en hoe cybernetici en evolutionairen zich met elkaar zullen verzoenen. Aan Pieter Schroevers zal het niet liggen. De enige eis die hij stelt is dat de evolutionairen ophouden de cybernetici ervan te beschuldigen dat ze de natuur als een volledig beheersbare en controleerbare machine beschouwen. Niets is minder waar, schrijft Schroevers in genoemd artikel. De cybernetische ecologen hebben toch alles in het werk gesteld om de onmaakbaarheid van de natuur te benadrukken? "Juist daarom waren ze zo gesteld op behoud van wat er nog was, en daarom ook wilden ze daaraan richtlijnen voor de toekomst verbinden." Als tegengebaar wil Schroevers van zijn kant dan best toegeven dat de evolutionairen, door de nadruk die zij op het toeval legden, nog eens hebben aangetoond dat kleine oorzaken grote gevolgen kunnen hebben. Sterker nog: dat zonder toeval er geen evolutie mogelijk zou zijn. "Er is meer dat cybernetici en evolutionairen bindt dan scheidt", denkt hij daarom. Belangrijk is vooral de erkenning dat we niet met lege handen staan. "Want als we de natuur willen zien als een expressie van menselijk handelen, dan is een acceptabele natuur expressie van acceptabel menselijk handelen. En daar is het ons uiteindelijk om te doen."
E'
' I
n dan: wat is natuur nog in dit land?", dichtte J.C. Bloem decennia geleden: Een stukje bos, ter grootte van een krant,/ Een heuvel met wat villaatjes ertegen." Het lijkt nu meer dan ooit te kloppen. Maar dat "Natuur is voor tevredenen of legen", zoals de beginregel van dezelfde strofe luidt, is inmiddels wel gelogenstraft. D 25
Foto Bram de Hollander
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's