VU Magazine 1990 - pagina 242
waarbij op zeker moment de natuur inderdaad ongeremd haar gang kan gaan." Toegegeven: dat klinkt een stuk creatiever dan men van de gemiddelde, in behoudend pilo gestoken natuurbeschermer zou verwachten. En zelfs bij Natuurmonumenten heeft dat moderne inzicht de laatste jaren terrein gewonnen. "Vroeger ging dat zo:", schetst Vlijm, "als het ergens mooi was zette je er een hek omheen. De klacht dat op die manier niemand - o p een enkele natuurvorser na - er nog wat aan had, vond pas gehoor toen men ontdekte dat behoud zonder beheer onmogelijk is; je zult moeten maaien, afplaggen en beweiden om de zaak in stand te houden. De stap van natuurbehoud, via natuurbeheer, naar natuuróouw-sommigen zeggen: natuurontwikkeling - is minder groot dan een enkele ecoloog ons wil doen geloven."
verzekerd zijn dat wanneer je aan de top grote verliezen constateert, er ook aan de basis al verbazend veel verdwenen is."
A
fnemende diversiteit in de natuur is overigens veel meer dan alleen een milieukwestie. Ten behoeve van landbouw en veeteelt is inmiddels de hele waterhuishouding van ons land onder één noemer gebracht. Het natuurlijke proces, als gevolg waarvan het grondwaterpeil van plaats tot plaats kon verschillen, is uitgeschakeld. Ook hier heerst de moderne mens met harde, uniformerende hand, Dit soort menselijk ingrijpen in de natuur is niet van vandaag of gisteren. Er is in ons land zelfs geen hectare natuurschoon meer te vinden, die niet door toedoen van de economisch handelende mens is ontstaan. Maar doordat, onder invloed van traditie en cultuur, het grondgebruik en de methoden in landbouw en veeteelt per streek eeuwenlang nogal uiteen liepen, leverde dat een sterk afwisselend landschap op dat ons - achteraf, nu het te laat is - ineens zozeer met nostalgie vervult. Vlijm: "Het maakt nogal wat uit of je het land bewerkt met een schop, een riek, een sikkel en een zeis, of met een zware landbouwmachine. In het laatste geval zul je - om maar eens iets te noemen - eerst het grondwaterpeil moeten verlagen, anders zakt dat ding onherroepelijk weg." En dan was er nog iets: "De boeren deden het per streek dan wel anders, maar ze deden op één plek wel altijd hetzelfde; er zat continuïteit in, die weer nodig was om die verschillende landschappen, met de hen kenmerkende flora en fauna, de kans te geven zich te ontwikkelen." Die continuïteit is weg. "Alles verandert voortdurend, overal tegelijk, en op dezelfde eenvormige wijze." De drassige weilanden, wier uitbundige bloemenpracht Thijsse nog in vervoering kon brengen, zijn definitief verdwenen. "Daar bloeiden vroeger de wilde orchideeën", weet Bert Vlijm. "Nu mogen we blij zijn als er nog eens een boterbloem de kop opsteekt. En zie jij nog wel eens dotterbloemen in een sloot?" Ach ja, de dotterbloem; ook al bijna geheel verdwenen. "We moeten er maar
'Als we de ramp al overleven, dan doen we dat met niet veel meer dan een handjevol planten en dieren.' mee leren leven", zegt Vlijm, van de gelegenheid gebruik makend om zijn gal te spuwen over de, overigens uitheemse, voedermaïs die de haver, de rogge, de tarwe en de gerst van weleer, goeddeels van het Nederlandse platteland heeft ver20
De Oostvaardersplassen: prototype van een ongerept ecosysteem. Foto Bram de Hollander
V
drongen. "Ellendig spul, alleen maar geteeld omdat het bestand is tegen grote hoeveelheden drijfmest", moppert hij.
V
an het argument dat het dichtbevolkte, overgeïndustrialiseerde Nederland maar een speldeprik is op de wereldkaart, en dat bij gebrek aan de juiste biotopen hier, de plantjes en beestjes ergens anders wel een goed heenkomen zullen vinden, is prof. Vlijm niet bijster onder de indruk. "Dit geldt niet alleen voor Nederland", zegt hij. "Was dat maar zo! Dan konden we de boel hier sluiten en zolang naar elders vertrekken tot de natuur hier weer orde op zaken had gesteld. Maar het verlies aan soorten is een mondiale kwestie. En daarom zo definitief." Op een groot aantal plekken op aarde is de schade, biologisch beschouwd, nog veel erger. "De wereld zoals die was, is niet meer te redden", zegt hij, zich excuserend voor zijn ondergangsprofetie. "Als we de ramp al overleven, dan doen we dat met niet veel meer dan een handjevol planten en dieren die sterk genoeg zijn om deze crisis te doorstaan. De rest is dan voor eens en altijd verdwenen." Natuurbescherming en -behoud is, als puntje bij VU-MAGAZINE—JUNI 1990
paaltje komt, een hoogst conservatieve bezigheid, lijkt de slotsom. Dat is slechts ten dele juist, vindt Bert Vlijm. Vroeger, ja vroeger misschien, toen men er met de aankoop van een enkel reservaatje al dacht te zijn. Zoals met de aanschaf van de Mui op Texel. Maar behoud betekende ook beheer, zoals de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten tot haar schade en schande ontdekte. Anders groeide de boel gewoon dicht. "Pas later", zegt Vlijm, "leverde dat het inzicht op dat je net zo goed zelf een plas in de duinen kunt graven, en er een hek omheen zetten, zodat niet iedereen er gaat pootje baden. Laat zoiets zich maar ontwikkelen; je krijgt dan successiestadia. VU-MAGAZINE—JUNI 1990
oor prof. Vlijm berust deze logische ontwikkeling in opvattingen over natuurbescherming op niet meer dan graduele verschillen tussen de betreffende visies. "Natuurbehoud en natuurbouw moet je niet tegen elkaar afzetten. Het is niet het een of het ander, maar het een en het ander," Een pacificerende uitspraak die toch niet kan verhelen dat op dit moment onder ecologen een richtingenstrijd gaande is, waarbij de fundamentele keuze tussen natuurbehoud en radikale natuurontwikkeling de inzet vormt. Een strijd die vinnige discussies oplevert, waarbij de partijen elkaar van verregaand conservatisme en gebrek aan realiteitszin beschuldigen. De oudste rechten hebben de Westhovianen: aanhangers van de geobotanicus prof.dr. Victor Westfioff, de geestelijke vader in ons land, van een natuurbeheer op wetenschappelijke grondslag. Westhoff, die ooit zijn jeugdige bevlogenheid vorm gaf in een flirt met het boeddhisme en die actief was in de roemruchte Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (de NJN), heeft als geen ander het natuurbeleid in Nederland, en het denken daarover, bepaald. Westhoffs theorie stoelt hoofdzakelijk op twee gedachten. De eerste is de constatering dat er in ons land van enige 'oernatuur' allang geen sprake meer is. De landbouwende en veehoudende mens heeft deze in de loop der eeuwen volledig herschapen tot het bonte scala aan landschappen die wij, nu ze voor het merendeel verdwenen zijn, met twintigste-eeuwse kortzichtigheid voor 'ongerepte natuur' laten doorgaan. Een tweede basiselement in Westhoffs denken is de theoretische aanname dat, binnen bepaalde grenzen, het wezenskenmerk van de natuur niet de verscheidenheid, maar veeleer de eenvormigheid is. Had de natuurlijke ontwikkeling in ons land onbelemmerd haar gang kunnen gaan, zo luidt Westhoffs belangrijkste stelling, dan zou deze drassige rivierendelta uiteindelijk slechts begroeid zijn geweest met eiken, berken of een combinatie van die twee. In ecologen-jargon: we21
Foto Bram de Hollander
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's