VU Magazine 1990 - pagina 388
De methodoloog A.D. de Groot tijdens zijn afsclieidscollege in 1979: 'Kan ik niets voorspellen dan weet ik niets.' Foto Klaas Koppe
waren altijd voor het grootste deel betrokken geweest bij personeelsselectie maar gaandeweg werden steeds meer klinische psychologen ingeschakeld bij het ontwikkelen van therapieën. Het ging daarbij niet zozeer om het afstandelijke voorspellen van iemands gedrag maar om het tonen van actieve betrokkenheid, om het pogen een ontspoord leven weer op de rails te krijgen. Spoedig bleek echter dat een keuze onvermijdelijk was; het was het een of het ander maar niet allebei. Je kunt niet tegelijkertijd gedragsvoorspeller en therapeut zijn, 'wetenschappelijkheid' en 'menselijkheid' kunnen niet, zo leek het, gelijktijdig gereahseerd worden. De therapeut heeft immers belang bij het al dan niet uitkomen van een bepaalde voorspelling over iemands gedrag, hij zal dit gedrag in een gewenste richting proberen bij te sturen. Voor de 'zuivere wetenschapper' evenwel zijn dit ontoelaatbare interventies, het is het spelen met verzwaarde dobbelstenen, het achter de hand houden van een tweede pak kaarten. Ze zitten elkaar in de weg, de voorspeller en de therapeut. De een slaagt er niet in het hoofd boven water te krijgen zonder zich af te zetten tegen de ander die daardoor kopje onder gaat.
I
n geen andere psycholoog dan Johan Barendregt hebben die twee beroepshoedanigheden een zo intense strijd uitgevochten. De meeste psychologen slaagden er wel in om de scherpe kantjes van het conflict een beetje weg te vijlen, be-
lli geen andere psycholoog dan Johan Barendregt hebben die twee beroepshoedanigheden een zo intense strijd uitgevochten. hoedzame compromissen te sluiten, een pragmatische benadering te kiezen. Niet Johan Barendregt. Hij was een radicale, rigoureuze natuur, bij wie bepaalde dilemma's levensbepalende paradoxen werden, schrijft Trudy Dehue in 'De regels van het 34
vak', een studie naar Nederlandse psychologen en hun methodologie (1900 - 1985). Zo had Barendregt, aldus Dehue, "als geen ander de neiging om methodologische regels tot in hun uiterste consequentie serieus te nemen, om vervolgens boos en wanhopig te worden vanwege de strakke voorschriften die hem dwongen tot zijns inziens triviale vraagstellingen." Hij stelde haast onmogelijke eisen aan promovendi en zijn vasthouden aan methodologische strengheid werd, zoals Barendregt het zelf uitdrukte "een roman-
verzoenen met het op inlevingsvermogen berustende individuaHserende denken in de klinische praktijk. Barendregt heeft niettemin een manmoedige poging ondernomen om toch een dergelijke synthese tot stand te brengen, om verbeeldingskracht om te zetten in toetsbare hypothesen. Bij een aantal patiënten werd getracht een volledig op de persoon toegesneden mini-theorie te formuleren. In vijf jaar tijd werden bij zo'n vijftig patiënten ongeveer tweehonderd hypothesen getoetst. Toen werd het project stopgezet.
tisch ideaal dat je leven verknoeit". Anderzijds was Barendregt ook actief in de therapeutische praktijk. In Barendregts huis werden, te zamen met kandidaatsassistenten, werkwijze en resultaten besproken. Een van de assistenten herinnerde zich hoe Barendregt bij die gelegenheid in zijn leunstoel zat, hevig rokend en dat hij dan op zeer inspirerende wijze vertelde over de patiënten: "dan was hij heel anders O dan trok hij zich niets meer aan van al die regeltjes O dan zag je heel zijn fantasie en zijn groot inbeeldings- en inlevingsvermogen O ik heb nog nooit zo'n groot clinicus gezien."
Barendregt concludeerde dat het onderzoek teveel vergde van zowel de onderzoekers als de patiënten. Hij schreef: "Het is nu eenmaal zo dat één dwaze meer hypothesen kan bedenken dan tien wijzen kunnen toetsen." In de jaren zeventig nam Barendregt steeds meer afstand van de methodologische strengheid, van niet waar te maken voorspelbaarheidseisen en hij liet zich in toenemende mate inspireren door het werk van zijn literaire idolen Proust en Musü. Dehue constateert dat de artikelen van Barendregt van toon veranderden, dat zijn in cynisme gedrenkte vechtlust plaats maakte voor met ironie verhulde moedeloosheid. Na Barendregt's dood in 1982 schreef zijn collega Frijda: "Zo is er de weg gegaan van wat scherp omschrijfbaar is, naar iets waarvoor woorden en begrippen gezocht en geleend moeten
D
e generaliserende benadering van het empirisch-analytische denken, waarbij een mens niets meer heette te zijn dan een intersectie tussen een beperkt aantal variabelen, bleek niet te
VU-MAGAZINE—OKTOBER 1990
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's