VU Magazine 1990 - pagina 123
korte termijn allemaal te wensen valt. Maar wij zijn aangenomen om ons primair met de wat langere termijn bezig te houden. Een dilemma dus. De raad zoekt antwoorden op vragen die minister Alders, of zijn opvolger, pas over vijf jaar beantwoord wil zien. Dat is een wat moeizame boodschap om mee aan te komen. Want Alders en zijn ambtenaren willen de vragen die hen mi dwars zitten éérst wel eens beantwoord zien. We moeten dus duidelijk maken - aan Alders en aan minstens drie van zijn collega-ministers - dat we er niet in eerste instantie zijn voor antwoorden op kamervragen die momenteel de ministeries bijkans plat leggen. Welhcht wint het belang van wat wij doen aan duidelijkheid als de kwaliteit van onze bezigheden naar buiten toe beter zichtbaar wordt.
S
lagkracht heeft deze raad zeker, jawel. Maar als raadsHd, en zeker als voorzitter, vind je natuurlijk altijd dat het nog lang niet genoeg is. Ook als directeur van het Instituut voor Milieuvraagstukken, had ik vanzelfsprekend wel invloed op milieu-onderzoek en, indirect, op het milieubeleid. Maar wanneer ik op het departement verscheen, bekeek men mij daar toch altijd ook als belanghebbende. Kwam ik de noodzaak van een of ander milieu-onderzoek onderstrepen, dan zag ik ze denken: daar heb je Opschoor weer die z'n medewerkers aan de slag moet houden. Met de pet op van IvM-directeur had ik er ook steeds één in de hand: om mee rond te gaan. Dat is dan voorbij. Natuurlijk ben ik na zo'n vijftien jaar IvM vergroeid geraakt met deze toko. VU-MAGAZINE~MAART 1990
Prof.dr. J.B. Opschoor (1945) werd per 1 januari j.l. door milieuminister Alders benoemd tot voorzitter van de Raad voor het Milieu- en Natuuronderzoek. Hij was al sinds 1983 lid van deze raad. Tot een opvolger zich aandient is Opschoor directeur van het Instituut voor Milieuvraagstukken (IvM); een onderzoeksinstuut waaraan hij, met een onderbreking van slechts drie jaar, sinds 1971 verbonden is geweest. Opschoor blijft voor de helft van zijn werktijd hoogleraar milieu-economie aan de Vrije Universiteit. Interview: Gert J. Peelen Foto: Kees Keuch - AVD/VU
Toch was ik langzamerhand wel toe aan iets anders. Niet uit frustratie, maar uit het gevoel van déja vu. Ik heb voor de lol de brief nog eens gelezen, waarmee ik solliciteerde naar het directeurschap hier. Het programmaatje van wat ik dacht te zullen gaan doen, dat daarin werd ontvouwd, heb ik inmiddels eigenlijk wel afgewerkt. Dan is het ook wel goed om te vertrekken. Voor jezelf en voor het instituut. En waar ik hoe dan ook op uitgekeken was, is het soort problemen waarmee ik als directeur van dit instituut veelvuldig te maken heb gehad - heel triviaal meestal, zoals de huisvesting van het IvM die maar niet rond te krijgen was.
I
k verlaat hier zeker geen zinkend schip. Daar zou ik trouwens ook voor gepast hebben. Het gaat goed met het instituut; de orderportefeuille is voller dan-ie ooit geweest is. En met het milieu? Ik wou dat ik daarvan hetzelfde kon zeggen. We hebben ons eerst een periode beziggehouden met het signaleren van het probleem, met de vraag vooral hoe ernstig de si-
tuatie was. Daarna hebben we ons uitvoerig afgevraagd waar al die rotzooi nou precies vandaan kwam. En dan zou nu het tijdperk moeten ingaan waarin we ons gaan richten op het opruimen van de rommel. En ook op dat terrein ligt er werk zat te wachten op het IvM. Maar in alle bescheidenheid meen ik, dat mijn kracht inmiddels op het net iets hogere niveau van de landelijke onderzoekssturing is komen te liggen. Ik voel me sterk genoeg om eensflinkop de tamtam te roffelen en te roepen dat het nu een beetje meer die en die kant uit moet gaan. Zoals - wat ik zo even al zei - meer aandacht voor de gamma-henadering. Het is gebruikelijk dat een probleem in eerste instantie wordt benaderd vanuit de natuurwetenschappelijke hoek. Allerlei soorten ziekte en ongemak als gevolg van chemicaliën in de atmosfeer; ik geef maar lukraak een voorbeeld. De
sta je al snel op de stoep bij een maatschappijwetenschapper; bij een econoom bijvoorbeeld, bij een socioloog of poHticoloog. Als IvM sprongen we er op dit punt trouwens altijd al uit, omdat we van meet af aan over een ruim gesorteerd maatschappijwetenschappelijk smaldeel konden beschikken. Sprekend over de jaren negentig denk ik bovendien dat de problemen zich vooral aan de gammak&nt zullen gaan voordoen. Er is in ons land op het moment een geweldige druk om het milieu belangrijk te vinden. Je maakt mij niet wijs dat al die parlementariërs, die nu de mond vol hebben over het milieu, en die ik vóór mei '89, toen het tweede kabinet-Lubbers viel over het reiskoslenforfait, nooit eerder over het vraagstuk gehoord had, plotseling echt bekeerd zijn. Die reageren op politieke drukverschillen zoals een barometer dat doet. Wordt de druk minder groot, dan kun je
7e maakt mij niet wijs dat al die parlementariërs plotseling echt bekeerd zijn. Die reageren op politieke drukverschillen zoals een barometer dat doet.' eerste vraag - waar komt die ellende vandaan? ~ is altijd een èè?flvraag, heeft altijd betrekking op causale verbanden die we dan vervolgens op het spoor trachten te komen. Maar ga je op zoek naar de bron van het probleem, naar mogelijke oplossingen en beleidsinstrumenten, dan
nu al voorspellen dat hun aandacht zich onmiddellijk weer zal verleggen. Wat nu vanzelfsprekend heet, staat over een poosje weer volop ter discussie. Op dat moment moetje klaar staan met maatschappijwetenschappelijk goed doortimmerde betogen.
9 33
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's