VU Magazine 1990 - pagina 31
met produktontwikkeling ten behoeve van een wereldmarkt. Daar moetje dat produkt uiteindelijk zien te slijten. En dat vergt een wat andere mentaliteit dan die de afgelopen tijd gangbaar is geweest inzake het Nederlandse wetenschapsbeleid. We zitten als gevolg daarvan, wat onderwijs en onderzoek betreft, beslist beneden het niveau dat we in principe zouden kunnen en moeten hebben.
E
en wat abstract verwijt misschien. Maar ik wil ook best concreet worden. Mobiliteit bijvoorbeeld. Ik denk dat het dodelijk is voor een onderzoeker - en voor de wetenschap in het algemeen - om een leven lang ertoe veroordeeld te zijn op dezelfde plaats te blijven zitten. Toch is dat in ons land het geval. We hebben te weinig universiteiten om een vlotte doorstroming te realiseren. En heb je eenmaal je plaats gevonden in dit circus, dan is het heel moeilijk er ooit nog uit te stappen. Ik zou programma's willen ontwikkelen om de mobihteit op dit punt te bevorderen; niet primair in eigen land, maar vooral in Europees verband. De uitwisseling van docenten, studenten en onderzoekers valt alleen maar toe te juichen. Maar als je ziet welke bureaucratische beslommeringen je nu nog moet overwinnen om eens een jaar aan een andere universiteit te mogen doceren, dan zinkt de moed je bijvoorbaat in de schoenen. Wie ergens een benoeming aanvaardt voelt zich bijna verphcht om de rest van zijn carrière aan diezelfde universiteit uit te dienen. Waarom? Vijfjaar is genoeg! Dan moetje maken datje ergens anders aan de VU-MAGAZINE—JANUARI 1990
Prof.dr. P. Nijkamp (1946) is als hoogleraar regionale economie verbonden aan de Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie van de Vrije Universiteit. Hij heeft een zeer groot aantal pubUkaties op zijn naam (in vijfjaar tijd schreef hij gemiddeld één wetenschappelijk artikel per week). Samen met Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen en de Limburgse prof. G. Hofstede vormt hij de top-drie op de wereldranglijst van meest geciteerde economen. De Vrije Universiteit Brussel verleende Nijkamp onlangs een eredoctoraat vanwege "zijn grote gave van synthese, zin voor interdisciplinair onderzoek en innovatieve ideeën op zijn vakgebied". Interview: Gert J. Peelen Foto: Bram de Hollander
bak komt! Een stoelendans? Dat moet dan maar. Ik denk dat het de produktiviteit enorm zou stimuleren, én dat het tot veel gezondere verhoudingen tussen de universiteiten onderling zou leiden. Nieuwe ideeën krijg je door steeds in andere werksituaties verzeild te raken. Tenzij je briljant bent, natuurlijk. Maar dat zijn er maar weinigen. Zet mensen van tijd tot tijd maar eens op een andere stek, laat ze maar eens dingen doen die ze nooit eerder hebben gedaan. Je zult zien; de meerwaarde daarvan is veel groter dan wanneer je ze de rest van hun leven laat slijten tussen dezelfde vier muren.
M
isschien wat eigenaardig dat ik nujuist een lans moet breken voor een grotere mobiliteit. Na bijna vijftien jaar hoogleraarschap aan dezelfde universiteit heeft men mij - misschien niet ten onrechte wel eens honkvastheid verweten. Toch is dat in mijn geval betrekkelijk; het is hoe dan ook niet mijn typering. Ik ben voortdu-
rend bezig allerlei internationale projecten en samenwerkingsverbanden op te zetten. Dan maakt het niet zo gek veel uit waar ik mijn thuisbasis heb. Die ligt hier, en ik voel me daar heel happy mee. Het neemt niet weg dat ik vaker op pad ben dan dat ik hier achter m'n bureau zit. Ik ben mobiel. En mijn werkterrein is Europa; sterker nog: de wereld. Ik vind de mobiliteit die ik bepleit, niet alleen van belang voor economen. Het geldt voor de beoefenaars van andere disciplines evenzeer. Maar het is waar: er valt wat dat betreft wel een directe link te leggen naar mijn eigen vakgebied, de regionale economie. Die benaming klinkt beperkt - men spreekt daarom ook wel van ruimtelijke economie - maar er zit vreselijk veel in: de regio zelf, verkeer en vervoer, hulpbronnen, grondstoffen en energiedragers, en - de laatste jaren in sterk toegenomen mate - het milieu. Dat levert een scala aan invals-
in ontwikkelingslanden. Dit vak leent zich daardoor misschien wat beter voor een internationale oriëntatie. Maar ik kan me toch niet aan de indruk onttrekken dat ook andere vakken soortgelijke internationale mogelijkheden in zich dragen. Dat men die soms niet ziet heeft, denk ik, te maken met de wetenschappelijke stijl, de cultuur, van waaruit men gewend geraakt is tegen de dingen aan te kijken. Hoe dan ook: internationale oriëntatie en mobiliteit komen in mijn vak goed van pas. Maar vooral ook een interdisciplinaire stijl van werken. Persoonlijk heb ik me nooit zoveel aangetrokken van waar de grenzen van mijn vak nu precies zouden liggen. Ik begeef me graag op onbekend terrein. Dat leidt - ik geef het toe - wel eens tot frustraties bij collega's die de neiging hebben om hun territorium wat strakker af te bakenen. Ik heb me daar nooit wat van aangetrokken, maar vind het omgekeerd ook niet erg als anderen
'Zet mensen van tijd tot tijd maar eens op een andere stek, laat ze maar eens dingen doen die ze nooit eerder gedaan hebben.' hoeken en componenten op; het vak is dus heel breed en omvat in z'n uitwerking nogal wat uiteenlopende terreinen. De vraagstukken die bij regionale economie aan de orde komen zijn ook letterlijk grensoverschrijdend. Ze steken overal de kop op: in Europa, de Verenigde Staten en
zich op mijn terrein begeven. Uiteindelijk gaat het toch om één groot onderzoeksgebied waaruitje met z'n allen het beste probeert te halen ten behoeve van onderzoek en onderwijs. Vandaar mijn overtuiging dat schotjesgeest in de wetenschap een achterhaalde zaak is.
1 29
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's