VU Magazine 1990 - pagina 68
rend pogingen om zijn pessimisme empirisch te onderbouwen, Thomas Mann heeft in een prachtig essay over Schopenhauer opgemerkt dat juist in die directe beschrijvingen van leed en geweld zijn literaire genie glansrijke en ijzingwekkende hoogtes bereikt en dat hij erover spreekt met zowel een grote deskundigheid ais met een ongehoord snijdende felheid. En Schopenhauer mag dan wel zeggen dat het lijden iets is wat je feestelijk dient te begroeten, juist bij zulke passages kun je de verontwaardiging van de bladzijden aflepelen. Terecht meent Thomas Mann op zulke momenten in de betoogtrant het onderdrukte trillen van Schopenhauers stem te kunnen horen,
S
chopenhauers invloed begint nu begrijpelijker te worden, In de negentiende eeuw bestond het idealistische optimisme vooral nog in theorie. In deze eeuw is daadwerkelijk geprobeerd om utopieën te realiseren; dit is het tijdperk (geweest) van het verplicht gestelde volmaakte geluk. Dat er om dat doel te bereiken talloze ongelukkigmakende lastpakken verwijderd moesten worden, werd wat minder bezwaarlijk geacht. Vooral in het licht van zulke ervaringen hebben diverse schrijvers en filosofen zich ontpopt als anti-utopisten. Ze vestigen onophoudelijk de aandacht op het nu bestaande geweld, bovenal op het geweld dat aangericht wordt in naam van nobele idealen. De reputatie van sfeerverziekende zwartkijkers nemen ze daarbij graag op de koop toe. De misschien wel meest radicale hedendaagse pessimist is de in Frankrijk levende Roemeense filosoof E.M. Cioran (1911). Zijn enige vertaalde aforismenbundel draagt de veelzeggende titel 'Geboren zijn is ongemak'; nou niet direct een uitspraak die getuigt van een fijne, positieve levensvisie. Toch zou zijn visie op het bestaan als een
'Het leven zou alleen uit te houden zijn, als je onder mensen kon verkeren die volkomen ontgoocheld zijn en dat héérlijk vinden.' nederlaag, als een mislukking, wel eens minder ondraaglijk kunnen zijn als deze lijkt. Cioran ageert permanent tegen het idee dat er iets te willen valt, dat er grote daden te verrichten zijn en dat de eigen onmisbaarheid bewezen moet worden. De mens, zo zegt hij, is in zijn zelfoverschatting geneigd de eigen sterfelijkheid te vergeten en steevast komt dan de behoefte naar boven om grote dingen te verrichten. Uit dit stre22
ven naar onsterfelijkheid komt niets dan ellende voort. De (anti-)utopie van Cioran propageert het tegendeel: "Als alle naties tegelijkertijd apathisch zouden worden, zouden er geen conflicten, geen oorlogen en wereldrijken meer bestaan. Maar de ellende is dat er jonge volkeren en jongeren zonder meer zijn - een aanzienlijk obstakel voor de droom van de filantropen: bewerkstelligen dat alle mensen dezelfde staat van vermoeidheid en verslapping bereiken..."
n zijn formuleringen doet Cioran herhaaldelijk sterk aan Schopenhauer denken; alleen verheerlijkt hij het lijden niet, bewuste zelfkwelling is hem vreemd, Wei kan het lijden - en Cioran maakt herhaaldelijk melding van het feit dat zijn organen het aan alle kanten beginnen te begeven - mensen attent maken op de zinloosheid van al die grote idealen, overwinnaarsfantasieën en onsterfelijkheidsdromen. De illusieloosheid, de ambitieioosheid en de gelukzalige desintegratie slaat hij aanmerkelijk hoger aan. "Het leven zou alleen uit te houden zijn, als je onder mensen kon verkeren die geen enkele illusie meer in voorraad hebben, mensen die volkomen ontgoocheld zijn en dat heerlijk vinden", schrijft Cioran. Anders dan vaak gedacht wordt is het lezen van zulke knorrepotten een verre van deprimerende aangelegenheid. Zowel Schopenhauer, Cioran als diverse andere zwartkijkers bezitten een sterk ontwikkeld, sardonisch gevoel voor humor. Ze zijn zeer ontvankelijk voor het absurde karakter van al dat ambitieuze gewoel, die hang naar succes, dat streven naar macht. Het zijn geen mensen die teleurgesteld zijn geraakt in het leven, ze waren dat eigenlijk al bij voorbaat; ze hebben altijd wel geweten dat je niets van het leven en van je medemens hebt te verwachten. Dat uitgangspunt bewerkstelligt een zekere gemoedsrust en dwars door de dikke laag van knorrigheid wil dan ook wel eens een zekere het hoge woord moet er maar uit - mildheid aan de dag treden. Zo ziet Schopenhauer zijn opvatting dat de wereld en de mens er maar beter niet hadden kunnen zijn, als aansporing tot een zekere inschikkelijkheid. Het verbaast hem niets wanneer zo nu en dan de duivel in de mens losbarst en wanneer mensen zich zo nu en dan ook eens van een wat betere kant laten zien; is het laatste het geval dan is dat een meevaller. Maar met zo'n uitleg is het oppassen geblazen: voor je het weet krijgt de pessimist een imago dat al te sympathiek, al te menselijk is. En dat kan niet de bedoeling zijn.D
Eduard Hitschmann - Schopenhauer: proeve van een psychoanalyse van de filosoof. Meppel, Boom, 1989, f 24,50 Arthur Schopenhauer - de vrijheid van de w^il; en Thomas Mann over Schopenhauer. Amsterdam, Wereldbibliotheek, 1989, f 29,50
VU-MAGAZINE—FEBRUARI 19
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1990
VU-Magazine | 484 Pagina's