VU Magazine 1991 - pagina 345
trokken auditeur-militair, dat de doodstraf tegen een van de twee "alleszins gemotiveerd" was. De man was immers schuldig bevonden aan koelbloedige moord op een militair die hen nog wel "als blijk van goede verstandhouding zijnerzijds een sigaret had aangeboden en vuur verstrekt." Tegen de ander moest zijns inziens vijftien jaar worden geëist. Felderhof adviseerde bij soortgelijke delicten eveneens zware straffen te eisen. Biegers collega in Bandoeng, mr. P. Okma, deed op 3 september 1948 verslag aan de PG over de opbouw en ontwikkehng van de strafvervolging in Cheribon en Priangan. Okma noemt in zijn verslag de aantallen afgehandelde zaken in zijn
district: "In 1947 werden 3 doodvonnissen gewezen; in 1948 - 4." In Garoet behandelde Okma drie grote moordzaken waarbij acht doodvonnissen werden uitgesproken. Biegers belangrijkste strafzaak die uitliep op een doodvonnis, was die van Simin, in de zomer van 1948 in het zuiden van Midden Java. De man heette niet echt Simin, maar Bieger kan zich de juiste naam niet meer herinneren. De beklaagde was pemoeda-leider en nog erg jong. Bieger legde hem zeven moorden ten laste - "Een van die moorden had diepe indruk op mij gemaakt" - en eiste voor Bijzonder Rechter Hans Reus, een Indisch jurist, de doodstraf "Ik had geen moeite tegen hem de doodstraf te eisen, in een land waar die straf nog bestond en VU-MAGAZINE—SEPTEMBER 1991
geaccepteerd werd. Onder die omstandigheden vond ik die eis een vanzelfsprekendheid. Het was immers zaak om in een dergelijk geval, als Justitie heel duidelijke taal te spreken. En bovendien: het zeer reële gevaar van eigenrichting door de troep dreigde, als dit soort zaken in hun ogen al te zachtzinnig werden afgedaan." Simin diende een gratieverzoek in bij het Hooggerechtshof, maar dit werd, zonder dat hij daarbij aanwezig was, afgewezen. Bieger: "Ik heb erg tegen die executie opgezien. Maar ik heb geen moment mijn bhk afgewend, toen hij geblinddoekt aan die paal stond en na het salvo in elkaar zakte. Ik wilde de consequentie van mijn eis bewust beleven."
In totaal zijn volgens mr. Bieger zes executies uitgesproken die voortkwamen uit zijn eis, en die ook zijn uitgevoerd. Gevraagd hoeveel hij er geëist heeft, zegt hij resoluut: "Veel." Het precieze aantal weet hij niet meer, maar vermoedelijk zijn het er zo'n vijftien geweest.
U
it de gebrekkige gegevens die mij ter beschikking stonden, blijkt dat in vier districten, en in een beperkte periode, de BKG's in ieder geval voor negentien executies verantwoordelijk waren, de Bijzondere Rechters voor zeker eenentwintig en de 'Temporaire Krijgsraden (rechtbanken die begin '46 in het leven waren geroepen om Japanse oorlogsmisdadigers en hun collaborateurs te berechten.
maar die tevens bevoegd waren inzake zware misdrijven door burgers gepleegd) voor minstens twee gevallen waarin het geen Japanse oorlogsmisdadigers betrof Deze gegevens slaan, zoals gezegd, slechts op een klein deel van de archipel. J.A.A. van Doom, die indertijd zelf als dienstplichtig militair ter plaatse was, zegt in een gesprek, dat volgens hem veel vonnissen uit de losse pols en op vage gronden werden geveld; soms door rechters die niet eens de landstaal spraken. Volgens hem is er mogelijk sprake van honderden doodvonnissen. Om dit cijfer enigszins te onderbouwen, probeer ik aan twee andere bronnen een indicatie te ontlenen. Het aantal ingediende gratieverzoeken mag gelden als een graadmeter voor het aantal opgelegde doodstraffen. In de meeste gevallen was immers geen beroep mogelijk. En om onmiddellijke executie te voorkomen kon men alleen nog om gratie verzoeken bij de luitenant-gouverneur-generaal, later bij de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon. Volgens L. de Jong ging in ieder geval Van Mook niet snel over tot het verlenen van gratie. Zijn adviseur was de algemeen secretaris. Men mag aannemen dat diens adviezen zwaar wogen. Sommige daarvan, uit de tweede helft van 1949, zijn bewaard gebleven. Het betreft vijftien doodvonnissen. Dat is veel als men ervan uitgaat dat niet iedereen in staat was nog een gratieverzoek in te dienen. De algemeen secretaris adviseerde Van Mook op 27 juH '49 over vijf doodvonnissen wegens sabotage van spoorrails, om vier van de vijf doodvonnissen te handhaven. Op 6 oktober van dat jaar adviseerde hij afwijzing van vijf doodvonnissen omdat ze waren opgelegd voor aanslagen waarbij geen doden waren gevallen. Op 14 december 1949 - nog geen twee weken voor de souvereiniteitsoverdracht dus - schreef hij in een advies over drie gratieverzoeken: "In alle drie gevallen zijn de veroordeelden m.i. terecht ter dood veroordeeld. De omstandigheden waaronder de misdrijven werden gepleegd zijn voorts van dusdanige ernstige en gruwelijke aard, dat ik geen termen kan vinden de dood27
Jeugdige Indonesische soldaten - zogeheten peraoeda's - worden opgebracht. Sommige Nederlandse juristen in Indië bepleitten 'een integrale opruiming' van de pemoeda's door het leger. Foto Spaarnestad
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's