Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1991 - pagina 346

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1991 - pagina 346

5 minuten leestijd

straf bij wege van gratie in levenslange gevangenisstraffen om te zetten." Er is nog een tweede, enigszins macabere aanwijzing voor het aantal doodvonnissen dat werd uitgesproken en ten uitvoer gelegd. In de archieven van de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof te Batavia, bevindt zich een kwitantie, betreffende een bedrag van 375 gulden, overgemaakt aan de vertegenwoordiger van de PG in West-Java, eerder genoemde mr. Okma. Het bedrag is blijkens het opschrift bestemd voor "geheime doeleinden". Maar aan de kwitantie is een notitie gehecht waaruit blijkt dat het geld bedoeld was als beloning voor de leden van executiepelotons, over het vierde kwartaal van 1948. Er waren

Terugblikkend op de executie van Simin weet Bieger nu niet goed meer het verschil tussen Simin en Nederlandse verzetshelden die verraders Hquideerden. in die periode vijfentwintig executiedata gepland waarop telkens twee personen terechtgesteld zouden worden. Het vuurpeloton bestond uit vijftien man militaire politie. Ieder van hen kreeg één gulden per executiedag. Wanneer het getal van vijftig executies enigszins maatgevend is, dan moet het totaal aantal terechtstellingen, zoals Van Doorn al vermoedde, inderdaad vele honderden bedragen.

N

iet iedereen accepteerde de gang van zaken zonder meer. Gemeld is reeds het geval waarin mr. Bieger het niet eens is met twee doodvonnissen, en naar Batavia vliegt om gratie te bevorderen. Ook bij een andere zaak vond hij het doodvonnis niet de juiste straf. In Djokja werden twee kooplui aangehouden die grote manden op hun rug vervoerden. Bij controle bleek dat ze tussen de koopwaar wapens smokkelden. Tijdens de aanhouding trokken de kooplui hun wapens en 28

er ontstond een schietpartij waarbij een officier en een van de kooplui werden gedood. De andere koopman werd gevangen genomen. Het leger eiste zijn hoofd. Maar Bieger vroeg levenslang omdat hij de situatie toch als enigszins militair beschouwde. Er kwam ook fundamentele kritiek op het verschijnsel Bijzondere Krijgsgerechten zelf, zo blijkt uit een briefwisseling tussen een officier en het ministerie van Justitie. Deze officier, mr. A Dirkzwager, werkte in Bandoeng onder Okma. Vermoedelijk was hij het met het beleid van de laatste niet eens, want hij vroeg op 21 februari 1949 per brief aan het hoofd van het departement, wat nu eigenlijk de status van de BKG's was. Namens het departement antwoordt secretaris-generaal Lemaire dat het BKG volgens de wet geen rechtsmacht uitoefent, "welke een aanvulling oplevert van de gewone jurisdictie-regeling, doch dat het gerecht uitzonderingsrechter te velde in de eigenlijke zin van het woord is voor de onmiddellijke onderdrukking van tijdelijk oplaaiende criminaliteit door strafrechtspraak in het milieu waarin de misdaden worden gepleegd." De BKG bleek dus niet bedoeld om de gewone rechter te helpen de achterstand in te halen. Op 23 april reageert Dirkzwager per kerende post dat naar zijn mening teveel zaken naar BKG's gaan. Hij is van mening "dat dit instituut hoe eerder hoe beter dient te verdwijnen. De rechters hebben geen ervaring in de behandeling van strafzaken." En: "Ik acht het Krijgsgerecht kortweg funest, vooral ook Politiek." Zowel de militairen als het openbaar ministerie en de rechters zelf waren voorstanders van ruime toepassing van de doodstraf In gevallen waarin geen doodstraf werd geëist, legden rechters deze straf soms toch op, zo leren de verzamelde gegevens. De teneur was telkens; de Indonesiërs moeten een lesje hebben. Naarmate de strijd heviger werd, nam het aandeel van de militaire rechtspraak toe, en dus ook het aantal doodvonnissen en executies. Sleutelfiguur was de officier van Justitie die tevens dienst deed als auditeur-militair. Hij had de keuze te bepalen bij welke rechtbank hij zaken zou aanbrengen: bij een Bijzondere Rechter die in ieder geval juridisch

geschoold was, of bij de militaire lekerechters van een BKG. De militairen leverden hem alle arrestanten aan, en ze dreigden het recht in eigen hand te nemen als er niet zwaar genoeg gestraft zou worden. De militairen wilden zoveel mogelijk doodvonnissen. En die waren bij de collega's van de BKG het gemakkelijkst te verkrijgen. Zo kon de doodstraf worden geëist voor steeds lichtere zaken. De rechterlijke macht werd daarmee voor het leger een krachtig instrument tegen het Indonesische verzet.

T

ot slot mr. Bieger. Hij laat het dilemma waarin het Openbaar Ministerie destijds verkeerde, duidelijk zien. Gevraagd of hij nog steeds achter zijn toenmalige eisen van de doodstraf staat, antwoordt hij bevestigend: "De misdaden waarom het ging, waren veel te ernstig voor internering. Bovendien puilden de gevangenissen uit en ontsnapten velen, niet in de laatste plaats vanwege de corruptie. Levenslang zou betekend hebben: tot de souvereiniteitsoverdracht. Als je het niet deed zouden de militairen veel vaker standrecht hebben toegepast. Je streefde ernaar dat het KNIL en de Koninklijke Landmacht al hun gevangenen aan de rechterlijke macht zouden overdragen. En ten slotte: als je de oorlog hebt meegemaakt, ga je verruwen, je kijkt anders tegen die dood aan." Bieger geeft volmondig toe dat de omstandigheden de strafmaat bepaalden. Na zijn terugkeer in Nederland werd hij strafrechter in Utrecht en berechtte onder anderen RAF-lid Knut Folkerts. Maar nooit heeft hij in die tijd een zaak behandeld waarvan hij dacht dat de doodstraf passend zou zijn geweest. Terugblikkend op de executie van Simin weet hij nu niet goed meer het verschil tussen Simin en Nederlandse verzetshelden die verraders liquideerden: "Wie bepaalt eigenlijk wanneer er van het een en wanneer van het ander sprake is? Is dat toch degene die aan de macht is? Zijn recht en macht dan toch begrippen, die identiek zijn?"D

Drs J.F. Abma is ethicus en doodstrafspecialist voor de Nederlandse afdeling van Amnesty International.

VU-MAGAZINE—SEPTEMBER 1991

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991

VU-Magazine | 500 Pagina's

VU Magazine 1991 - pagina 346

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991

VU-Magazine | 500 Pagina's