VU Magazine 1991 - pagina 249
Dr. Ben van Cranenburgh: 'De tegenstelling tussen linker- en rechterhemisfeer is geen absolute.' Foto Bram de Hollander
D
e feiten kloppen dus niet met de theorie. Des te erger voor de feiten, merkte een filosoof ooit op, maar de meeste onderzoekers stellen toch liever hun theorie een stukje bij. De Britse onderzoekster Marian Annett veronderstelt daarom een hooguit beperkte genetische gedetermineerdheid. Rechtshandigheid zou bij zeventig procent van de mensen genetisch bepaald zijn. Zij zouden een karakteristiek gen hebben dat rechtshandigheid vastlegt; de zogenaamde right shift factor. Bij dertig procent van de bevolking zou dat gen echter ontbreken. Bij deze bevolkingsgroep bepaalt het naakte toeval de handvoorkeur; men kan linkshandig of rechtshandig worden of een vorm van dubbelhandigheid ontwikkelen. Handvoorkeur is dus een kwestie van de genen, behalve dan bij mensen die deze genen niet hebben. Onomstreden is deze theorie niet, maar alleen for the time being is zij de meest gangbare. Wat wel vaststaat is dat de handvoorkeur in verband staat met de hersenhelften. Maar ook hier treden complicaties op; zijn de dingen minder overzichtelijk dan ze schijnen. Eerder is gesteld dat de handvoorkeur in kruiselingse verbinding staat met de hersenhelften. In veel gevallen gaat de theorie echter absoluut niet op. Bij bijna alle rechtshandigen zitten de taalfuncties aan de rechterkant, bij de linkshandigen zouden de taalfuncties dus logischerwijs in de linkerhemisfeer aangetroffen moeten worden. Die theorie werd door neurologen in de negentiende eeuw geformuleerd en tot aan de jaren vijftig van deze eeuw aangehangen. De hemisfeer met de taalfuncties werd ook verreweg als de belangrijkste be-
VU-MAGAZINE—JUNI 1991
schouwd, de andere hemisfeer werd geacht er maar een beetje bij te hangen. Naderhand bleek echter dat bij zo'n zeventig procent van de linkshandigen de taal ook aan de linkerkant zit. De resterende dertig procent der linkshandigen valt weer uiteen in twee groepen; bij het ene deel zit de taal rechts, bij het andere deel is de taal gelijkelijk over de hersenhelften verdeeld. Bovendien bleek het idee van een meester-knecht verhouding tussen linker- en rechterhersenhelft niet vol te houden. Het is niet
'De rechterhelft heeft men altijd the minor genoemd; de ondergeschikte. Het is alsof je de wereld verdeelt in mannen en niet-mannen.' zo dat de iinkerhemisfeer met zijn taalfuncties superieur is aan de rechterhemisfeer waarin doorgaans de ruimtelijke en visuele vermogens geconcentreerd zijn.
N
euroloog dr. Ben van Cranenburgh, verbonden aan het Instituut voor Toegepaste Neurologie (ITON) in Amsterdam, neigt zelfs tot de omgekeerde theorie. "Je kunt veronderstellen dat de specialisatie van de hersenen niet ontstaan is op basis van communicatie en 19
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's