VU Magazine 1991 - pagina 81
B
ehartenswaardige taal, waar Adriaan, die op dat moment, in 1909, in Oxford pohtieke economie studeerde, best naar wilde luisteren. Maar Das Kapital van Marx en de andere socialistische hoogtepunten moeten hem weinig hebben geboeid, al zal hij verder zijn gekomen dan hij later zelf toegaf. Uit de briefwissehng tussen Adriaan Roland Holst en zijn oom en tante, die onlangs werd gepubliceerd, krijg je de indruk dat de sociahstische tante Jet eerder doorhad dat haar "jungske" nooit een echte socialist zou worden, dan hijzelf. Als dichter beschouwde ze hem al snel als "een zeer begaafde en zeer eerlijke dekadent O die het afsterven van een wereld lyrisch uitbeeldt." En Adriaan had daar vrede mee. In Oxford ontdekte hij de beste dassenen pettenwinkels, die hem de gelegenheid boden zich als dandy te ontwikkelen, en kwam hij in aanraking met de Keltische mythologie en de moderne Ierse literatuur. Onder invloed van deze lectuur ontwikkelde hij zijn eigen visie op het dichterschap, die bepaald werd door eenzaamheid, inkeer en Elysisch verlangen. Toch was de invloed van zijn oom en tante bepalend voor hem geweest, zoals hij zelf meermalen toegaf. Een bundel van zijn tante had hem op het idee gebracht dichter te worden en hij kwam graag bij hen aan huis, waar hij, anders dan in het ouderlijk milieu, mensen trof die zijn interessen deelden. Aan de opvattingen die er werden verkondigd hield hij in ieder geval een afkeer over van de loutere schoonheidsverering, de nawee van Tachtig. De Holsten en hun kennissen hielden niet van aansteUerij.
T
oen Adriaan zijn eigen weg ging, stelde Henriëtte zich begrijpend op tegenover het jungske. Adriaans oom, de beeldend kunstenaar Richard Roland Holst was iets strenger. Had zijn neefje niet toch beter een ambacht kunnen leren, vraagt hij zich af: "Het kunstenaarschap te zien als een priesterschap - prachtig, maar dan niet zo hoogmoedig ontdaan van alle verantwoordelijkheids en medegevoel." Richard reageerde hiermee op een artikel van Adriaan over Leopold, maar wellicht ook op de begeleidenVU-MAGAZINE—FEBRUARI 1991
de brief, waarin Adriaan afrekende met "alle Menschheids-idealen" en zijn liefde verklaart aan "zuiverheid en afzonderlijkheid van ras". Het woordje ras oogt hier niet prettig. Twee jaar eerder had Adriaan zijn irritatie over een Joods gezin dat naast hem woonde al eens gelucht in wat antisemtische ongein, eindigend met: "misschien is het ook maar beter, dat mijn Keltische Bolus geen contact krijgt met de hunne, die dan wel raszuiver mag zijn, maar toch van minder edel gehalte." Opzienbarend is het niet; antisemitisme kwam destijds onder schrijvers misschien vaker wel voor dan niet. Toch blijf je schrikken, als je het tegenkomt bij een bewonderd dichter, zeker als er verband aanwijsbaar is met zijn literaire opvattingen. Een hartig woordje door Adriaans oom was in ieder geval weleens op zijn plaats. Richard was een vertegenwoordiger van de gemeenschapskunst of monumentale kunst. Naast lithografisch werk, maakte hij figuratieve muurschilderingen en glas-in-loodramen die nauw aansloten bij de architectuur van een gebouw. Het onderscheid dat Adriaan maakte tussen hoger en lager leven, kon volgens hem worden overbrugd door de arbeid. Maar helaas miste zijn neefje "het wonder van de handen". Oom Rik daagt Jany regelmatig uit om een oordeel te geven over zijn werk. Maar als Adriaan in een lange brief over een zojuist voltooid raam voor de Utrechtse dom niet meer weet te zeggen dan dat hij zich "een kruispunt van overwegingen" voelt, reageert Richard geïrriteerd: "Ik ben wel blij dat ik een beetje vacantie krijg, want 't zijn een paar inspannende maanden geweest (). Ik ben geneigd aan te nemen dat mijn kop ook moe is, want heusch waar, na zes keer met aandacht je brief te hebben overgelezen, ben ik er nog niet achter wat je precies vindt van het raam."
T
och probeert Adriaan zich op het gebied van de beeldende kunst wel aan te sluiten bij de opvattingen van zijn geliefde oom. Soms leidt dit hem tot uitspraken die nu aantonen dat hij op het gebied van de kunst geen profetische gaven bezat. Richard was, als hoogleraar aan de Rijksacademie voor
Beeldende Kunsten en tegenstander Henriëtte Roland van abstractie, een autoriteit waar Holst, in 1943 j
•
,
,
T^
^-r
getekend door
de jonge kunstenaars van De stijl, ^^3,,^^ ^.^.^^^.p^ zoals Theo van Doesburg, gretig tegenaan schopten. Waarop Adriaan zijn oom troost: "in de loopgraven maak je geen nieuwe samenleving, en in dergelijke bladen geen nieuwe kunst." Een ander geval: als hij een paar
'In jou is door je bestaan als jong heertje, lid van een zatte en vadzige bourgeoisie, onderdrukt het beste menschelijke.' jaar later tekeningen van "dien Zadkine" ziet, vindt hij ze ouderwets. "Zij bewijzen weer eens hoe alle anorganische kunstvormen binnen enkele jaren overleden zijn", beweert hij wijs, niet wetend dat juist de kunst van zijn oom snel vergeten zou raken. Ook al leiden de artistieke en pohtieke opvattingen soms tot enige verdeeldheid in de familiekring, de toon wordt toch vooral bepaald door gemoedelijkheid. De Holsten 27
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's