VU Magazine 1991 - pagina 161
rechtvaardigde immers dat Engeland plotseling zijn rechtmatige positie als bakermat van de mensheid kon opeisen. Deze euforie kende al helemaal geen grenzen meer toen berichten verschenen over de vondst van een gebruiksvoorwerp, gemaakt uit het dijbeen van een olifantachtige, dat met enige goede wil als een voorloper van de criclietbat gezien kon worden.
De Duitse anatoom Franz Weidenreich (linl(s) hier samen met de Nederlandse antropoloog G.H.R. van Koningsveld, erkende de authenticiteit van de Piltdownschedel niet. Zware kritiek uit Engeland was zijn deel. Maar achteraf kreeg hij gelijk.
B
uiten Engelands grenzen was het enthousiasme een stuk minder groot. Maar critici hadden een zware dobber aan het Engelse driemanschap, waarvan alle leden, waarschijnlijk mede dankzij de Piltdown-mens en hun verdiensten voor de Britse antropologie, tot de adelstand werden verheven. De erkenning van de Piltdownmens als een vroege voorouder van de mens, had de nodige implicaties voor de denkbeelden over het verloop van de menselijke evolutie. Achteraf gezien vormde de Piltdown-mens voor de Engelse onderzoekers precies het fossiele bewijsmateriaal dat ze nodig hadden. Met name Keith en Elliot Smith hadden zich altijd sterk gemaakt voor een evolutiebeeld waarbij de mens-
Aan de kaak ontbrak uitgerekend het scharnierpunt, als gevolg waarvan niet met zekerheid kon worden vastgesteld of deze wel aan de schedel toebehoorde. aapachtige voorouder eerst een vergroting van de hersenen doormaakte, die het de primitieve voorouder mogelijk maakte gebruiksvoorwerpen te maken en toe te passen. Pas daarna zou naar hun idee sprake kunnen zijn van de ontwikkeling van andere typisch menselijke kenmerken, zoals de rechtopgaande gang en veranderingen in het gebit. De Piltdown-mens voldeed precies aan deze verwachtingen. In 1924 schreef Elliot Smith dan ook: "Het enorme belang van de Piltdown-schedel is de bevestiging die deze verleent aan de mening dat de hersenen het pad hebben gebaand in de evolutie van de mens. Het is hoogst vanzelfsprekend dat de mens verrees uit zijn aapachtige VU-MAGAZINE—APRIL 1991
toestand dankzij de verrijking van de structuur van zijn geest", Buitenlandse onderzoekers die op basis van door hen gevonden fossielen tot andere conclusies kwamen, werden zwaar onder vuur genomen. Een er van was de Nederlandse arts Eugene Dubois, die reeds in 1893 de vondst van een voorouderlijk dijbeen en schedeldak op Java bekend had gemaakt. Hij beweerde dat de aapmens rechtop had gelopen en gaf hem de naam Pithecanthropus erectus (tegenwoordig staat deze 'Java-mens' overigens bekend als IHomo erectus). Dubois kreeg op zijn missing-iink een forse portie Engelse kritiek te verduren; die gold zowel de datering als de reconstructie van de schedel. De 19
Keith veranderde de schedel links tot hij een exemplaar (rechts) overhield, dat meer gelijkenis vertoont met de menselijke schedel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's