Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1991 - pagina 214

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1991 - pagina 214

4 minuten leestijd

Kan het onnozeler? Terwijl de oorlogsdreiging met de dag sterker werd, hield Johan Huizinga (1872-1945) zich bezig met het spel. Waar de intellectuelen overal uit hun studeerkamer snelden en zich politiek engageerden, daar boog Neerlands beroemdste historicus zich over het ludieke {copyright Huizinga!) element in onze cultuur. Een bizarre en wereldvreemde houding. In tijden van revolutie schrijft men geen romans, merkte Harry Mulisch ooit op, maar Huizinga liet zich ogenschijnlijk door niets weerhouden. Hij cultiveerde zijn fascinaties, hoezeer die fascinaties ook haaks stonden op de 'eisen des tijds'.

KOOS NEUVEL

Oorlog en spelcultuur Wat bracht de historicus Huizinga ertoe om aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog een boek te schrijven over de spelende mens? Wereldvreemdheid of behoefte aan een beter inzicht?

H

elemaal ongelijk lijkt Merino ter Braak niet te hebben wanneer hij van zijn oom zegt dat hij "eigenlijk volkomen gedesoriënteerd is in alle dingen die de practijk raken." Huizinga heette iemand te zijn die in de jaren dertig in een ivoren toren leefde, een 'academische conformist' is hij wel genoemd. Zijn weigering om in 1936 toe te treden tot het mede door Ter Braak opgerichte Comité van Waakzaamheid van Anti-NationaalSocialistische Intellectuelen deed wat dat betreft de deur dicht. 'Homo Ludens', het hoofdwerk van Huizinga uit de jaren dertig, lijkt dit beeld te bevestigen. Huizinga schrijft over spelvormen op ahe maatschappelijke gebieden en in alle tijden. Die encyclopedische aanpak heeft iets verwarrends. De geschiedschrijving lijkt af en toe inderdaad een soort l'art pour l'art te worden. Wentelt Huizinga zich niet wellustig in zijn kunsten om zo des te beter de bedreigende werkelijkheid te kunnen buitensluiten? In dat geval moeten we het vocabulaire van de psychoanalyse van de plank halen. Begrippen als: verdringing, realiteitsontkenning, zijn dan de operatie-instrumenten waarmee het werk van Huizinga opengesneden kan worden. Maar het is niet nodig. Aan de oppervlakte van de tekst ligt bij nader inzien weldegelijk een (indirecte) pohtieke betrokkenheid voor het opscheppen. In de woorden van W.E. Krul: "Zijn publikaties na 1933 richtten zich, ofschoon in zeer algemene termen gesteld, vrijwel alle op de bestrijding van de totalitaire systemen, en tegen cultuurverschijn-

VU-MA(

selen die naar zijn mening tot het ontstaan van deze systemen hadden bijgedragen."

D

e sympathieën en antipathieën van Huizinga hebben iets te maken met de mate waarin culturen het spel in ere houden. De negentiende eeuw die zo doortrokken was van ernst, van berekening en nuttigheid, geeft hij een dikke onvoldoende. Toen domineerde het idee dat een samenleving die hard werkt en veel produceert vanzelfsprekend beschaafder wordt. Het is voor Huizinga echter een beschamende misvatting te denken dat economische krachten en belangen de loop der wereld regeren. In de negentiende eeuw trok Europa zogezegd het werkpak aan. En dat werkpak was wel eventjes iets an-

Het is een beschamende misvatting te denken dat economische krachten en belangen de loop der wereld regeren. ders dan het mannelijk pronkkostuum uit de tijd van de barok. Huizinga, die zelf een ietwat stijve en ascetische man was, schrijft met enthousiasme over die periode. Met al zijn linten, strikken en kanten werd in de barokperiode het mannelijk kostuum een zekere speelsheid gegeven. En Huizinga noemt de destijds gebruikelijke pruik in de meest letterlijke zin een inkadering van het gelaat, als een schilderij in een lijst. De pruik is een, aan gene zijde van het nut staand, puur ornament. Het meest extreme voorbeeld van een spelvorm die haaks staat op iedere vorm van nuttigheid is de Potlatch, Dit is een wedstrijd tussen twee stammen waarbij op rituele wijze de eigen bezittingen, of het nu schapen, sierpotten of bankbiljetten zijn, weggeschonken worden aan een andere stam met het doel zo de vijand te vernederen. De vernedering kan alleen ongedaan gemaakt worden door zelf nog meer bezittingen weg te schenken. De groep die daarin het verste gaat, is de win- niustratie Aad naar. Meijer 29

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991

VU-Magazine | 500 Pagina's

VU Magazine 1991 - pagina 214

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991

VU-Magazine | 500 Pagina's