VU Magazine 1991 - pagina 367
welke positie ze innamen en hoe het zat met hun plaats in het gezin. Om als Darwinist door te gaan moesten de onderzochte discussianten drie feiten geaccepteerd hebben: dat er evolutie had plaatsgevonden, dat natuurlijke selectie daarvan een belangrijke oorzaak was, en dat ook de mens afstamt van lagere diersoorten, zonder een noodzakelijk ingrijpen van hogerhand. Wat bleek? Van alle voorstanders van Darwins theorie - die later gemeengoed zou worden - was 83 procent latergeboren. Van de tegenstanders daarentegen was 56 procent het oudste kind in de famihe geweest. Sulloway - die een liefhebber is van mooie voorbeelden - illustreert zijn betoog door op te merken dat Darwin zelf en zijn trouwste aanhangers, zoals Huxley (bijgenaamd 'Darwins buldog'), Wallace, Dalton Hooker en Haecker allemaal latergeborenen waren. De meeste promi-
eeuwen. Hij riep daarbij de hulp in van vakhistorici met specifieke kennis over bepaalde periodes. "Drie jaar lang heb ik mensen ondervraagd", vertelt hij. "Als ik een lezing gaf in Amerika, Duitsland, Engeland of waar dan ook, zocht ik vantevoren uit of er wetenschapshistorici in de buurt woonden. Als het niet meer dan duizend kilometer om was, vloog ik er heen, bracht een paar uur met ze door en legde ze mijn vragenlijst voor." Zo'n driehonderdduizend kilometer reizen leverde Sulloway gegevens op over de steüingnames van 2784 wetenschappers, die hij combineerde met de gegevens over de gezinssamenstelling in het ouderlijk huis.
B
ij verreweg de meeste wetenschapsrevoluties was het resultaat net als bij de Darwiniaanse: eerstgeborenen plachten nieuwlichterij te bestrijden, terwijl latergeborenen meestal wel enthousiast waren. Het sterkst deed zich het effect voor bij de Copernicaanse revolutie in de periode 1543-1609. Copernicus' visie dat de zon, en niet de aarde, het middelpunt van de kosmos was, betekende een forse knauw voor het toenmalige wereldbeeld. Van de latergeborenen die zich in het debat mengden, steunde driekwart Copernicus; van de eerstgeborenen maar 22 procent. Einsteins relativiteitstheorie kon eveneens op steun van 76 procent van de
gezinsstrijd nente tegenstanders, zoals Agassiz, Lyell, Herschel, Whewell, Saint Hilaire en Koelliker, waren het oudste kind in de familie. Bij de Darwiniaanse revolutie bleef het niet. Sulloway stortte zich op nog zevenentwintig wetenschappelijke revoluties uit de afgelopen vier
latergeborenen rekenen, tegen 30 procent van de eerstgeborenen. Soortgelijke cijfers zag Sulloway bij de controverses over de psycho-analyse van Freud, de quantumtheorie en de frenologie, een wetenschap uit de eerste helft van de vorige eeuw, die beweerde dat verstandelijke vermogens en karaktertrekken ontstonden door uitgroei van bepaalde hersendelen, waarneembaar door welvingen op de schedel. (Revolutie of niet, de theorie haalde bakzeil en leeft via de 'wiskundeknobbel' alleen nog voort in het spraakgebruik). Neemt Sulloway zijn achtentwintig controversen samen, dan is het eerstgeborenen-effect zo sterk, dat het vrijwel uitgesloten is dat het op toeval berust. Natuurlijk, geeft hij toe, Einstein, Newton en Lavoisier waren de oudste thuis; maar de meerderheid van hun revolutionaire volgelingen was dat niet, terwijl de
Ook bij de verdeling van Nobelprijzen staan de eerstgeborenen vaak met hun neus vooraan. felste tegenstanders juist wel eerstelingen waren. Om dit alles te verklaren haakt Sulloway aan bij de bestaande psychologische theorieën: eerstgeborenen nemen in het gezin een speciale
Charles Darwin (geb. 1809), met zijn zusje Catharine (geb. 1810). Links zijn oudere broer Erasmus (geb. 1804). Foto's Cambridge University Library
VU-MAGAZINE—OKTOBER 1991
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's