VU Magazine 1991 - pagina 210
CO
c/>
c/>
wijsvoering ervoor zou immers voor een belangrijk deel van 'buiten' dit heelal, respectievelijk van vóór de oerknal moeten komen. En tot die ondenkbare domeinen heeft de natuurkunde per definitie geen toegang; zelfs - of: juist - de 'nieuwe' niet. De jongensachtige bravoure - of is het toch sarcasme? - waarmee Hawking het bestaan van een schepper naar het rijk der fabelen verwijst omdat het heelal geen begin zou hebben, is dan ook ongerijmd en absurd. In wat Drees "een antwoord aan Hawking" noemt, wijst hij er onder meer op dat de Britse fysicus een beperkt godsbeeld bestrijdt, te weten het deïstische. In die visie is God de klokkemaker die het uurwerk van de kosmos en, in aanleg, van het leven, in gang heeft gezet, maar die voor het overige in zijn eigen schepping geen actieve rol meer speelt. Ook al zou Hawkings concept het juiste zijn, dan nog is er ruimte te over voor meer theïstische godsbeelden: visies waarin God op andere wijze dan als horlogier, met kosmos, wereld en mens verbonden is en die Hawking uit moedwil of misverstand buiten beschouwing laat.
O
verigens: geloof en wetenschap hebben, als het om grensoverschrijdingen gaat, beide boter op het hoofd. Dat benadrukt Jan van der Veken, hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit te Leuven, in zijn eind vorig jaar verschenen boek 'Een kosmos om in te leven'. Het voorbeeld van Galileï, waarbij de wetenschap het onderspit moest delven, is nog niet vergeten. En ook later heeft de geïnstitutionaliseerde godsdienst bij herhaling weinig terughoudendheid betoond bij het verketteren van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Dat heeft, zeker na de Verlichting, de wetenschap tot een eigenwijs, miskend en rancuneus stiefkind gemaakt. Het verklaart veel, zo niet alles, van de sindsdien gegroeide verwijdering. Van der Veken schetst de historische ontwikkeling in de verhouding tussen kosmologie en reli-
Tijd en ruimte zijn slechts abstracte natuurkundige begrippen, net als massa en lading, hardheid of kleur, aldus Drees die zich fel verzet tegen het meesttijds karikaturale godsbeeld van de ongelovige wetenschapper. "Er is geen reden een dergelijke natuurkundige categorie te verabsoluteren, alsof die begrippen per se ook op God moeten worden toegepast. Hun betekenis behoort bij een bepaald kader. De transcendentie van God, de gedachte dat God de wereld 'te boven gaat', zou ik dan ook niet willen koppelen aan een rand in de tijd, een onverklaard begin. God is niet vóór, achter of naast de wereld, niet Prof.dr. Jan van 'ooit' of 'ergens'. God der Veken: 'Counter agency'. is 'anders'". 24
VU-MAGAZINE—MEI 1991
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's